Christian Müller’s schepping gevat in 22 karaat goud

HAARLEM, 2-11-1960 - Aarzelend, zich niet rijend tot een melodie, klinken de orgeltonen door de Grote Kerk. Forse hamerslagen mengen zich nu en dan door de ijle hele en halve noten waarmee de organist de intonatie van het machtige instrument beproeft. Stemmig licht strijkt over het gloednieuwe goud van de ornamenten. Fel, bijna opdringerig, steekt het rode schild van het wapen van Haarlem dat het imposante orgel bekroont af tegen het donkere kerkgewelf van de dertig meter hoge stalen steiger, die het schip van de Sint Bavo middendoor snijdt, hoort maar ziet men niet werklieden aan een of milder karwei bezig. Het herstel van het inwendige van Haarlems beroemdste cultuurmonument, vorig jaar aangevangen, is in volle gang.

Men weet het, min of meer verrassend voor niet ingewijden, werd in september 1959 bekend dat de Grote Kerk dringend aan een restauratie toe was wilden de tekenen van verval welke zich hadden geopenbaard niet tot een ramp leiden. De afdeling Monumentenzorg van de gemeentelijke dienst van Openbare Werken maakte een restauratieplan op en de Haarlemse gemeenteraad stelde een krediet van ruim een ton beschikbaar voor het herstel van het oude kruisgewelf onder de toren. Maar niet alleen dit kruisgewelf, ook andere delen van de Grote Kerk zoals het befaamde Christian Müllerorgel, door velen beschouwd als een der mooiste ter wereld, het carillon en het dak konden, meende men, niet langer op een restauratie wachten.

Wie in het koor staat kan bij een flinke regenbui een straaltje hemelvocht in zijn kraag verwachten, zo lekt het dak. Men kan bij de regens van de laatste tijd wel aan de gang blijven met het droogmaken van de vloer en kerkbanken. Het kruisgewelf boven dit kerkgedeelte vertoont op verscheidene plaatsen donkerbruine vochtige plekken. „Je kunt er zo je vinger door heen steken.” werd ons gezegd. Eind vorig jaar hebben leidekkers de ergste lekkages verholpen door de slechtste leien door lagen ruberoid te vervangen, maar afdoende is deze tijdelijke maatregel blijkbaar niet.

Het herstel van het uit 1500 daterende kruisgewelf onder de toren dat men op het ogenblik ter hand heeft genomen is een moeilijk en omvangrijk werk. De verbleekte bloemmotieven waarmee stervormige gewelf over een oppervlakte van 300 vierkante meter is bedekt, zijn zorgvuldig op papier overgetrokken en gefotografeerd. Deze versieringen zullen door beeldhouwers en schilders worden hersteld in de vorm en kleur die eeuwen geleden door hun collega's zijn aangebracht. De sluitstenen die het gewelf steunen moeten ook hoognodig deels hersteld deels vervangen worden. De kosten van dit kleine onderdeel van het restauratiewerk bedragen alleen al bijna dertienduizend gulden.

Kapitale sommen
Het leeuwendeel van de kapitale sommen, die aan de verfraaiing van de Grote Kerk ten koste worden gelegd, wordt echter besteed aan de restauratie van het majestueuze orgel. Het Haarlemse gemeentebestuur stelde voor het herstel van het niet-instrumentale deel van het instrument, omvattend de kas en de frontpijpen alsmede enkele andere technische voorzieningen, een krediet van f165.000 beschikbaar. Het Rijk bleef niet achter en droeg veertig percent in de kosten tot maximaal f64.000 bij.

Met de restauratie van het instrumentale deel van het orgel beoogt men het volledige herstel van het klankidioom zoals zijn bouwer, Christian Muller, omstreeks 1730 dit voor de ruim vijfduizend pijpen en pijpjes van het zestig stemmig orgel had vastgelegd. Met een concert, uitgevoerd door de stadsorganisten Piet Kee en Albert de Klerk, dat op 5 augustus 1959 onder zeer grote belangstelling in de Grote Kerk plaatsvond werd een stuk orgel romantiek definitief afgesloten. Kort daarop werd het orgel uit elkaar genomen.

In de loop van de laatste maanden werden de delen naar het Deense plaatsje Aabenraa vervoerd waar de firma Marcussen zich met de restauratie belastte. De oudste firmant, de 72-jarige heer B. Marcussen, heeft de voltooiing van het werk niet mogen beleven. Veertien dagen geleden is hij overleden.

Vier broers Marcussen. die allen het vak van intonateur hebben gekozen, bereiden thans de dispositiewijziging van het orgel voor. In juni van het volgend jaar. nadat het orgel is herbouwd, zal een eind-intonateur de stemming van het orgel definitief in overeenstemming brengen met de bedoeling van Christian Müller.

Goud en zilver
De orgelkas, de pijpen en het beeldhouwwerk zullen weer schitteren in goud en zilver. Het beeldhouwwerk en andere sierlijke ornamenten bijvoorbeeld worden gevat in een deklaag van 22 karaats goud, dat op een speciale reeds in de middeleeuwen toegepaste manier wordt aangebracht. Om een indruk te krijgen van de omvang van deze restauratiewerkzaamheden zij vermeld dat de twaalf kolossale frontpijpen met een doorsnee van ruim zestig centimeter elk een gewicht hebben tussen de 400 en 500 kilogram.

De mannen die dit secure specialistenwerk vele tientallen meters boven de begane grond verrichten mogen bepaald geen last van hoogtevrees hebben.

Een ander onderdeel van de Grote Kerk dat haar vele bewonderaars zorgen baart zijn de verzakkingen die in de ophanginrichting Van het carillon zijn geconstateerd, Ook de klankzuiverheid van een aantal klokken is er in de loop der jaren niet beter op geworden. Openbare Werken zullen B. en W. van Haarlem binnenkort hierover een rapport voorleggen. Het ligt in de lijn der verwachting dat de restauratie van de beiaard van de Grote Kerk in 1961 haar beslag zal krijgen.

Met al deze herstelwerkzaamheden zijn ontzaglijke bedragen gemoeid. Welke Haarlemmer durft echter beweren dat het schoonste bouwwerk van de Spaarnestad deze financiële getroostingen niet waard zou zijn?

 Ook het beroemde Christian Mullerorgel met zijn ruin: vijfduizend pijpen en pijpjes staat in de steigers. Vaklieden bekleden, het beeldhouwwerk met een laag van 22 karaat goud.

Stalen steigers reiken tot het „Plafond" van de Grote Kerk om de restauratie van het kruisgewelf onder de toren mogelijk te maken.

Bron: Haarlems Dagblad 2-11-1960

TRIOMF van het handwerk aan het Haarlemse orgel

VAN ACHTER DE SCHERMEN....

HAARLEM, 30 maart 1961 — Nog weinig tijds en men zal horen wat nu nog niet klinken kan en dat naar men hoopt de oorspronkelijke klankluister zijn zal van het wijdvermaarde Sint-Bavo orgel te Haarlem. Op het eind van de junimaand  zal dit instrument door de Deense orgelmakerij van Marcussen tot in alle finessen zijn hersteld.

Zoals men weet is er in het Spaarne en andere binnenwaters van Holland een kleine springvloed geweest toen bekend werd dat aan een buitenlandse orgelmakerij deze omvangrijke en representatieve restauratie was opgedragen. Deze stormvloed is nu wat geluwd en men zal zich aanstonds er van kunnen vergewissen dat er wel redenen waren om een der belangrijkste kunstschatten die ons vaderland (nog) rijk is een optimale kans te geven. Stel u voor dat het hier geen orgel maar een paneel van Rembrandt betrof en dat hier geen Van Meegerens of andere fameuze restaurateurs zouden leven: zou men dan niet de hele wereld afreizen om de bekwaamste expert te vinden?
Toen we nu de lange wenteltrap opgingen waar eenmaal genieën als Händel en Mozart hun voetzolen hebben gedrukt, en de torenhoge ladders tussen de steigers door beklommen om toegang te verkrijgen tot de vijf verdiepingen waaruit dit instrument is opgebouwd en dat schier de totale achtergevel in beslag neemt, werden we van etage tot etage gewaar welk een gigantisch werk hier verzet is en met welk een grote nauwkeurigheid en vakmatigheid dit alles is uitgevoerd.

Te h o r e n is hier nog niets: de herstelde speeltafel was heden juist de grens ter hoogte van Nieuwe Schans gepasseerd.
Te z i e n was er echter des te meer. Weliswaar is er vanuit de kerk niets te zien omdat de totale gevel is afgeschut en het orgel als door een scherm is ingesloten teneinde een zekere constante temperatuur in de wintermaanden mogelijk te maken door het aanleggen van een provisorische verwarming. De buizen hiervan rivaliseren in omvang en lengte met open 32-voets pijpen! Daarom was dit een excursie achter de schermen en wel onder deskundige leiding van Dr. Oussoren en Corn. Janssen.

Klimmend waren we nu beland halverhoogte het machtige orgelfront. Daar straalden de pijpenrijen in een zilverglans zoals we nimmer tijdens de vele orgelbespelingen aanschouwd hebben. Daar fonkelden van puur bladgoud de festoenen en guirlanden, de beelden en ornamenten benevens delen van het wapen dat dit barok front bekroont. De bazuinblazende engelen staan er nu in ivoorblanke gewaden ter zijde in donker gemaakte nissen. Profetisch stralen de harpspelende en wetrol dragende figuren boven de orgelkast. Ze bekronen de hoektorens met hun 32-voets pijpen van het puurste Engelse tin (99 procent!) die van boven tot onder van smetten vrij gemaakt zijn. Voorheen brandden hier n.l. gaslampen die een groot gedeelte van deze pijpen met een zwarte roetlaag bedekten, nadat een ‘restaurateur’ de pijpen al enige malen met aluminiumpoeder had bespoten. Wellicht kende deze man het onderscheid niet tussen orgelpijpen en lantaarnpalen...  Op zichzelf is deze restauratie een détail dat van ongemeen vakmanschap getuigt. Jarenlang heb ik de voormalige organist, Louis Robert diepe zuchten horen slaken omdat hij meende dat deze pijpen „onherstelbaar bedorven" waren.

 Andere ijveraars voor herstel deden over de vijf verflagen van de orgelkas er nog een van bruine substantie. Nu verkreeg het wapen zijn oorspronkelijke heraldische kleuren, het rugwerk zijn zalmkleur, het hoofdwerk zijn grijsrose tint, terwijl op het Haarlemse wapen de naam VIRTVS veranderd werd in VIRTUS („Vicit vim virtus"). Calvinistische Invloeden hebben de pompeus-barokke praal van het goud tot een minimum teruggebracht. Thans reeds straalt de bovengevel als zonlicht. We laten nog onbesproken hoe de ‘restaurateurs’ van de romantische eeuw hier de dispositie hebben gewijzigd en het pijpwerk voor een deel hebben aangetast.

Klankbeeld
Degenen nu die zouden vrezen dat ook met deze restauratie het klankbeeld meer de stem van Marcussen dan de stem van meester Müller, de schepper van dit orgel, zal benaderen (en onder dezen rekende zich schrijver dezes) kunnen enigszins worden gerustgesteld doordat kennelijk het streven van Marrussen geweest is het klankbeeld angstvallig onaangetast te laten en alleen datgene door nieuwe pijpen te vervangen volgens de oude pijpenmensuren dat slechts een continuïteit vormt met het overige pijpwerk. Een blik in dit woud van pijpen overtuigde ons van de dienende rol die de orgelmaker zich hier heeft opgelegd. Overigens zij een definitief oordeel voorbehouden tot het moment waarop de klank gaat leven.

Triomf
Van één ding zijn we zeker: dat het oude kunstambacht hier triomfeert zoals we zelden in een orgelrestauratie zagen. Noemen we één detail van de zorg waarmee men de klassieke werkwijze weer poogt te benaderen: de polimentvergulding doorloopt hier zoals weleer een zestal stadia waarin achtereenvolgens een verfgrondlaag wordt gemaakt met hazenlijm, steenkrijt en lijm; het voorwerp afgeslepen wordt, gebruineerd, gepolijst met agaten (half-edelstenen), terwijl het poliment, d.w.z. geel onder matgoud en roodbruin onder gepolijst goud het laatste stadium vertegenwoordigt. Deze kasaïne- of polimenttechniek is in het schildersbedrijf in ons land vrijwel geheel verloren geraakt. Stad en land heeft men afgezocht om oude mensen van het vak te vinden en men slaagde hierin bij ene Hans Schubert ergens in Karlstadt aan de Main.

Op dezelfde wijze zouden we het eigenlijke orgelambacht van de orgelmakerij Marcussen kunnen beschrijven waarvan, de belangrijkste, vertegenwoordiger Dhr. Zachariassen voor kort is overleden. Zijn ambacht is niet met hem in het graf gedaald, doch hij heeft school gemaakt. Hoe zou één man zulk een werk kunnen wrochten. Hij zou er een mensenleeftijd voor nodig hebben gehad. Maar dit alles zijn wat groene blaadjes aan deze twee eeuwen oude eik die bij het intreden van de zomer rond de Haarlemmer hout in volle bloei zal staan.

Marius Monnikendam

Bron: De Tijd De Maasbode 31-03-1961

Haarlems orgel is in oude luister hersteld

HAARLEM, 08 juli 1961 - Het moge waar zijn dat het wijdvermaarde St. Bavo-orgel van Haarlem geen oorlogsgeweld heeft te lijden gehad, toch heeft het geduchte aanvallen te verduren gekregen van degenen die, met de beste bedoelingen overigens, zich de laatste eeuw waagden aan zogenaamde restauraties. Kinderen van hun tijd waren de orgelmakers eveneens gebonden aan de heersende smaak van eigen omgeving, en zodoende betekenden hun werkzaam, heden veelal chirurgische ingrepen, die enkele stemmen hebben gedecimeerd, pijpen hebben gedecimeerd en hun oorspronkelijke timbres hebben verminkt.

Er gebeurde eigenlijk veel meer met het Haarlemse orgel, waarover we reeds een vorige maal uitweidden. Doch waar ter wereld de meester-orgelbouwer te vinden die ver boven het louter ambachtelijke uit, aan dit door Christiaan Müller in de helft der XVIIIe eeuw gewrochte instrument zijn oorspronkelijke klankluister zou kunnen terug schenken?

Men heeft tot de vijfde decade van deze eeuw moeten wachten aleer de gusto ook in de orgelbouw geëvolueerd zou zijn naar de Barokstijl, een kunstrichting die algemeen baan brak en een overigens wat gemakkelijk gevonden criterium geworden is voor het huidige orgelklank-type. Want in wezen blijft het een teruggrijpen naar een vervlogen ideaal, en een zeker „testimonium paupertatis, bij gemis aan eigen klankvoorstelling. Doch waar het hier een restauratie betreft komt deze tendens goed te stade. Vooral als ze door een meesterhand als van Marcussen’s orgelmakerij geschiedt.

Wat we enige tijd geleden reeds mochten constateren bij de uiterlijke verschijning van het Haarlemse orgel, datzelfde mogen we zeggen na de orgelklank zelf te hebben beluisterd. Haarlem, Nederland en gans de orgelwereld zijn een instrument rijker geworden dat stellig zijn rivalen heeft, wellicht zelfs door enkele wordt overtroffen, maar toch representatief is geworden in dit klankgemiddelde.

Het was dan ook een bijna historisch moment toen de organist Piet Kee een kort orgelwerk van Sweelinck inzette met het rijke koor van prestanten en daarop gebaseerde vulstemmen die eenmaal de orgelpracht van dit instrument uitmaakten. Hoewel deze karakteristieke stemmen ook in de loop der tijden onaangetast bleven straalden ze heden als verjongd in die zilverglans die tot de kostbaarste verworvenheden van het Barok-orgel gerekend wordt. De prestantenkoren van het Haarlemse orgel behoren tot haar schier onovertroffen eigen karakter. En ze zijn daarvan zó overheersend dat de fluitstemmen en tongstemmen er een secundaire betekenis verkrijgen. Hoewel hier veel is aangevuld volgens de bestaande mensen, de tongstemmen naar oude factuur vernieuwd zijn, het subbas-pedaalregister van hout in metaal werd gewijzigd, het pedaal met een mixtuur werd verrijkt en het hoofdwerk met een „scherp" werd uitgebreid, zodat het aantal van 68 registers met twee is vermeerderd, werd het klankkarakter eerder bevestigd dan gewijzigd.

Hetgeen zeggen wil dat bijvoorbeeld het Goudse orgel en dat van de Oude Kerk te Amsterdam, om in de omgeving te blijven, een rijker gamma, groter verscheidenheid van timbres bezitten, een opmerking die niet van vandaag of gisteren dateert, maar vanuit de tijd dat de Engelse organoloog Ch. Burney zijn lof over het Haarlemse orgel zwaaiend toch moest erkennen dat het orgel „ln der Altenkirche zu Amsterdam besser von Tone ist' , of dat de Duitse organist Abt Vogler, nadat hij ook het orgel in Gouda had bespeeld tot de volgende charmante vergelijking kwam: „Monsieur, je les compare avec deux femmes, bien différentes; I'une (Haarlem) c'est une belle femme, superbe, mais fiére, capricieuse; I'autre (Gouda) est douce, aimable, traitable, en un mot, c'est ma maitresse".

In het gemiddelde van zijn zeer eigen karakter is hier echter een optimale expressie bereikt die voor het grootste deel op credit-rekening komt van de Deense orgelmakerij, van de tijdens deze bouw ontslapen coryfee onder de huidige orgelbouwmeesters Zachariassen en van zijn naaste medewerkers Adolf Wehding en Bruno Christensen. Zij, èn de commissie van Nederlandse experts, hebben zich door een geest van respect jegens een grote traditie laten leiden, zij hebben in één woord dat genie van orgelbouwkunst in de XVIII eeuw, Christiaan Muller, uit zijn graf willen doen verrijzen met klanken die hij op zijn beurt uit de roemrijke school van Arp Schnitger heeft geput.

Men is niet zó ver in deze restauratie gegaan dat men de klavieren overeenkomstig de eisen van deze tijd tot g’” uitbreidde; ze bezitten ook nu nog de beperkte omvang tot d’’’, hetgeen uiteraard een grote handicap impliceert voor het uitvoeren van latere muziek dan die van Bach. Wél heeft men het voetklavier tot f kunnen uitbreiden, door toevallige gunstige omstandigheden, en hebben de klavieren waarvan de boventoetsen in schildpadbekleding zijn gevat, nu een lichtheid van verkregen die de „orgelslagers van weleer, nu met vederlichte vingers over de klavieren zouden kunnen doen dwalen.

Ook is de box verdwenen waarin vroeger de organist met de speeltafel, terwille van koude dagen, zat ingekooid. Hij wordt nu omringd als door een wolk van zilver en goud dat hem van alle kanten uit het pijpwerk, lofwerk, festoenen, engelen of caryatiden tegenstraalt.
Ook is het kreupelrijmpje boven de speeltafel weer voor hem leesbaar geworden:

“Wij zijn de stemmen die geluyt en klanken geven, wanneer clavier en konstenaarshand door wint en konst machien, ons geeft het leven.”


Dit leven is ons in alle luister nog eens veropenbaard tijdens het concert dat een ieder via de Nederlandse Omroep heeft kunnen horen. Daar klonk Bach’s orgelmuziek, door de beide organisten Albert de Klerk en Piet Kee met meesterhand gespeeld, gelijk Bach zich dat gedroomd moet hebben en gelijk hij in zijn jeugdjaren op voetreis naar de Deense meesterorganist van die tijd, Dietrich Buxtehude, op het Schnitgerorgel te Lübeck moet gehoord hebben. Aan zulk een klankideaal zich nu in onze eigen omgeving te kunnen toetsen is een voorrecht voor allen die naast een schilderij van Vermeer of Rembrandt, naast een bouwwerk van Lieven de Key of Jacob van Campen nog weten dat ook het koninklijk instrument van het orgel een eigen plaats in ons nationaal kunstbezit inneemt. Hulde dus aan het waakzaam stadsbestuur voor deze cultuurdaad!

MARIUS MONNIKENDAM.

De Tijd De Maasbode | 08-07-1961

Kosten restauratie St. Bavo-orgel

HAARLEM, 14-05-1962 - De totale kosten van de restauratie van het instrumentale gedeelte van het uit 1735 daterende Müller-orgel in de Grote of St. Bavokerk te Haarlem, hebben 258.000 gulden bedragen, waarvan de orgelbouwer, de firma Marcussen uit het Deense Aabenraa 209.000 gulden heeft ontvangen.

De gemeenteraad van Haarlem had in 1956 een krediet van 160.000 gulden beschikbaar gesteld. Thans vragen B. en W. aan de gemeenteraad een extra bijdrage van 98.000 gulden. Inmiddels zijn aan subsidies van het rijk en de provincie totaal 72.000 gulden ontvangen en aan deze instanties zal gevraagd worden alsnog 40.000 gulden te schenken. De lasten van de gemeente Haarlem zullen daardoor 146.000 gulden bedragen.

Bron: Gereformeerd Gezinsblad | 14-05-1962

,,Nederlandse orgelkenners vastgeroest in principes"

(Van een onzer redacteuren)

AABENRAA - 10-08-1963 ,,Dat is mijn vader, u kent hem wel…" Sybrand Jürgen Zachariassen, een rijzige jongeman van rond de dertig, wijst met een gebaar van eerbied, van toewijding naar het portret rechts van het bureau. „Mijn vader was de eerste in Scandinavië, die niet alleen pal achter de ideeën van de Nieuwe Orgelbeweging stond, maar er ook de consequenties uit trok. In Duitsland werd een zware boom opgezet, hier ging men aan de slag. Ik ben er trots op, dat in dit huis, in deze kamer, een mijlpaal werd geslagen langs de weg, die de Deense, de Scandinavische, de Europese orgelbouw ging...."

Dat zegt Sybrand Jürgen Zachariassen, werktuigbouwkundig ingenieur, de man, die staal verkoos boven hout en orgelmetaal, maar die, via een omweg, toch weer bij dat hout en dat orgelmetaal terecht kwam. „Vader wilde niet dat ik in het vak ging. Zelf had ik er ook weinig zin in. Het bedrijf is vrij groot. Wij werken met z’n zestigen. Een hoop drukte met het personeel. U kent dat wel. Je kunt beter vrij zijn, dacht ik. Later zei vader: ,,Kom toch deze kant maar op. Er zit wel brood in." Zo kwam Sybrand Jürgen Zachariassen in Aabenraa, een geslepen kiezel in een gouden ring, naast de grote Sybrand Zachariassen te staan, drie jaar voor de dood van zijn vader. Toen Sybrand Zachariassen de ogen sloot, legden zijn mensen de laatste hand aan de restauratie van het grote Bavo-orgel in Haarlem.

Sybrand Zachariassen, voor vijfentwintig procent Fries, want zijn grootmoeder was een De Vries en kwam uit Woudsend, werd betreurd door velen. Op het internationale orgelimprovisatieconcours in Haarlem, het eerste na de restauratie, was het thema, gemaakt door de Franse organiste Marie Claire Alain, geïnspireerd op zijn naam. Hij leek onvervangbaar. Maar wie is onvervangbaar? Nu zit zoon Sybrand Jürgen in het pijnlijk netjes opgeruimde, perfect betimmerde privékantoor de firma Marcussen en Zoon te bestieren. Hij doet het met zwier. Hij doet het bescheiden. „Natuurlijk, ik ben nog maar jong....", zegt hij, wanneer een principiële uitspraak moet vallen. Niettemin valt die uitspraak dan, beslist, vrij van tactisch gemanoeuvreer.

Het door Marcussen en Zoon gebouwde orgel in de Nicolai-kerk te Utrecht, een fraai instrument, dat ook qua uiterlijk een uitstekend geheel vormt met de oude, nog te restaureren kerk.

Op grote instrumenten kansje voor romantiek

Het gaan naar Aabenraa heeft voor de orgelliefhebber iets weg van een gepassioneerde „voetreis naar Rome". Hij begeeft zich naar een soort „bron van alle goeds", naar de bakermat van het barok-orgel nieuwe stijl. Wanneer hij in de nauwe, drukke Storegade voor het onaanzienlijke poortje, een gat in de muur, staat, koestert hij die romantische, overtrokken gevoelens wellicht nog en in het binnenhof bruist de historie, de romantiek hem tegemoet. Oude, begroeide gevels rijzen rond hem op, het prille geluid van een orgelpijp klinkt ijl in de plotseling gevallen stilte en door de open deur ontwaart hij de kas van wat hij een Sweelinck-orgel zou noemen. Wat steekt achter een beetje idealiseren, wat verwerpelijks is er aan het terugvinden van een droombeeld? Niets immers, mits men op een gegeven ogenblik maar doorkrijgt, dat een droombeeld de werkelijkheid radicaal buiten beschouwing laat.

In Aabenraa, in het kantoor op de eerste verdieping van Storegade 24, helpt men de romanticus, de idealist handig van waandenkbeelden af. Voorzichtig, beleefd, doch resoluut worden de lijnen recht getrokken. Marcussen en Zoon voelt niet voor aanvallige verlakkerij. Het bedrijf levert de boterhammen voor zestig mensen, één Nederlander, de zoon van orgelkenner dr. H. L. Oussoren uit Wassenaar. Dat staat nummer één. Het wenst verder gezond werk te leveren. Gezond en steriel is echter niet hetzelfde. Ook wil het de toon in de orgelbouw mee blijven aangeven. Op dat punt evenmin illusies. „Wij zitten in de top. De orgelmensen kibbelen daar al niet meer over. Uw dr. Vente zette het zwart op wit. Hoger klimmen dan de top gaat niet. Voor ons dus alleen proberen onze positie te handhaven. Andere orgelbouwers, die van enig belang willen zijn, komen ons opzij. Logisch en gelukkig eigenlijk. Het zich „Deens" oriënteren van goede collega’s streelt ons eerder dan dat het ons pijn doet. Maar wees gerust: wij voelen de verplichtingen, die vooral vader ons oplegde, aan ons zal het niet liggen, alleen, wij zullen het misschien wel eens anders doen dan de Nederlanders leuk vinden."

Weer is het oordeel van Sybrand Jürgen Zachariassen mild, mild met scherpe randjes. „Werkelijk, wij, de Nederlanders en de Denen, staan op het gebied van de orgelbouw het dichtst bij elkaar. Onze ideeën lopen een heel stuk parallel, maar wanneer wij er al over denken af te slaan, zetten de Nederlanders nog stug door. In Nederland is het enthousiasme voor het orgel enorm. Concoursen, bespelingen, groot publiek. Wij staan er van te staren. En dan denk ik niet alleen aan de orgelkommissie van de Nederlandse Hervormde Kerk, die van wanten weet en bijzonder scherp slijpt. Nee, elke Nederlandse orgelkenner wil precies zo en niet anders. Het woord „romantiek" klinkt hem als een vloek in de oren. Neem nu bijvoorbeeld de deurtjes, die wij voor het borstwerk maken en mechanisch van het pedaal afgesloten kunnen worden. Zij temperen de klank. Uitstekend voor begeleidingen en zo. In Nederland hoef je er niet mee aan te komen, je wordt er finaal uitgelachen. En dat, terwijl het karakter van het orgel geen centje pijn lijdt". Het uitgebreide „Sweelinck-orgel" in de werkplaats hééft luikjes.….

Zo zitten de Nederlanders met een diep gewortelde orthodoxe instelling. In Scandinavië liggen de kaarten anders. Daar willen de jonge organisten wel weer eens wat romantische muziek op de nieuwe instrumenten kunnen spelen. Zweden is er nogal sterk in, de laatste tijd. Nu geloven we niet, dat we buiten ons boekje gaan, wanneer we op een groot orgel drie manualen zonder compromis maken en het vierde reserveren voor meer romantische genoegens (zwelwerk). We doen het op bet ogenblik zo in de Dom van Schleswig. Misschien zit ik me nu al een beetje veilig te stellen tegen kritiek, maar ik blijf er bij, dat een dergelijke verdeling geen kwaad kan, mits het „romantische" manuaal maar contact houdt met de rest. Je kunt je orgel natuurlijk niet in percelen verdelen. In Nederland lachen ze om onze luikjes, ze noemen een orgel met romantische mogelijkheden „compromis" en voor de elektrische registratuur, die we bij grote orgels toepassen, hebben ze, denk ik zo, ook maar weinig waardering. Ik kan er nog wel inkomen ook. Zelf zal ik nooit in de richting van het compromis adviseren; als men het echter per se wil, kan het, geloof ik, geen kwaad, mits maar drie manualen ongeschonden blijven. Wanneer een organist „tegen" is, behoeft hij het vierde immers niet te gebruiken".

Marcussen en Zoon kan zich veroorloven met de Nederlanders van mening te verschillen. Het bedrijf hoeft niemand naar de ogen te zien. Op het ogenblik liggen er orders voor over zes jaar in de bovenste bureaula. „We vinden dat een beetje te gek", vindt directeur Zachariassen. „Wanneer een kerkbestuur over een nieuw orgel gaat praten, moet het ook tamelijk gauw resultaten zien van dat gesprek. Vandaar dat we weinig doen om de export op te vijzelen. Hier in Denemarken is werk zat. Bovendien houden we er een paar typische idealen op na: als wij het goed doen, wat wel blijkt, moet toch eerst de eigen omgeving er van profiteren. Niet dat we resoluut de boot af houden. We gaan alleen niet de boer op. Misschien kunnen we op die manier tot wat redelijker levertijden komen".

Het is eigenaardig, maar bij Marcussen maakt men niet zoveel ophef van buitenlandse hoogstandjes. Over het Utrechtse Nicolai-orgel: („eerst was de winddruk, op verzoek, veel te hoog; nu zit het goed, terwijl ook de tijd wat gaat meewerken") praat men er wel graag en een foto van het Sweelinckorgel hangt aan de muur, doch het eerste is: „Ga eens naar Sönderborg, naar de kerk hiernaast in Aabenraa, naar Varde of naar Aarhus". Geheimzinnigdoenerij over het werk van andere Denen, dat van Frobenius in Kopenhagen of van Krohn in Hilleröd, is er bepaald niet bij. „Daar en daar staan goeie...."

Typisch Deense misschien, sympathiek in ieder geval. Wij zijn gaan kijken. In Varde bijvoorbeeld. Het bleek moeilijk uit de stille, warm aangeklede kerk vandaan te komen. Varde levert het bewijs hoe een modern orgel geen storend element in een oude kerk hoeft te zijn, hoe smaak en vakmanschap verschillende stijlen aaneen kunnen smeden tot een wonderlijk mooi, boeiend geheel.

Aan het uiterlijk van de instrumenten besteedt Marcussen bijzonder veel zorg. De basis van het succes ligt dan ook voor een deel in het uiterlijk, in de klassieke opstelling van hoofdwerk, bovenwerk, borstwerk en rugwerk. Daar wordt niet aan getornd. In het laatst van de twintiger jaren kwam weer het eerste orgel met rugpositief uit de werkplaats. Omtrent diezelfde tijd verscheen ook opnieuw het volledig mechanische orgel met sleeplade. Men moet dit, zegt de heer Zachariassen, als een absoluut keerpunt in de orgelbouw zien. De herintroductie van de sleeplade ging echter niet zomaar vanzelf. Wanneer we het gaan doen, vond de ambitieuze Sybrand Zachariassen, moet het direct goed. Liever niet meer de drukte van vroeger met gevoeligheid voor vocht en hitte, lekkerij en wat dies meer zij. In Aabenraa is er hevig over gepiekerd. Resultaat: het systeem van toen werd een paar jaar geleden ook in Haarlem toegepast, het „direct goed" bleek het fundament te hebben gelegd voor het doorwerken van Zachariassens gedachten. Wat de tractuur betreft bleef het nog een jaar of tien kwakkelen. Mechanisch en pneumatisch wisselden elkaar af. Na 1940 keerde Marcussen zich echter resoluut van de pneumatiek af. Wel werd nadien bij een aantal zeer grote orgels van elektrische tractuur gebruik gemaakt.

Uit de dispositie-ontwerpen van na, laten we zeggen, 1925 komt ook tot uitdrukking hoe langzamerhand het klassieke klankideaal weer terrein won. Stapje voor stapje werd de smaak omgebogen. Op dat punt verrichtte Marcussen een gigantisch stuk pioniersarbeid. Tot puur historisme leidde dat niet. Men koppelde de zuiverheid van een vergane periode aan de mogelijkheden van deze tijd. „Wanneer u een getrouwe kopie van een historisch orgel wilt hebben, kunt u beter naar Ahrend en Brunzema in Loga bij Leer gaan. (Ahrend en Brunzema enten hun instrumenten overigens meer op de renaissance. Red.). Wij houden het er op dat vroeger, eenvoudig omdat toen de techniek nog niet zover was gevorderd, onvolkomenheden voorkwamen. Waarom die zwakke steeën weer in te voeren? U is, als bosjes Nederlanders, bang voor het steriel, het te perfect worden van een orgel, voor het verlies van het karakter. Die angst berust waarschijnlijk op de misvatting, dat wij een orgelfabriek drijven. Vergeet u dat nu maar rustig. De tien tot vijftien orgels, die we per jaar afleveren, krijgen elk hun eigen karakter mee. Ze zijn immers door mensen met handen gemaakt. Handen hoeven zich niet te vergissen, maar handen denken ook. Te perfect? Dat kan niet, of moeten we, terwille van het sentiment, weer een paar passen terug?"

Marcussen en Zoon in Aabenraa trok het orgel meter voor meter uit de kloof, waar het in was gegleden. Het bedrijf maakte zijn instrumenten weer boventoonrijk, het zag het nut in van een lage winddruk, het ijverde voor een verantwoorde dispositie, het onderkende het belang van de orgelkas voor de klank, het kwam weer tot de „open" pijpvoet, het streefde naar een ideale windvoorziening, het had oog voor de klassieke opstelling in een moderne vorm, het.... Het rukte geleidelijk, bedachtzaam op. Andere orgelbouwers in de wereld volgden. Marcussen is, u heeft het gemerkt, nog niet moe vooraan te gaan. Er heerst geen rust, daar in het stille binnenhofje aan de Storegade, geen rust, want „er is nog zoveel voor de orgelbouw te doen."

Deenser dan de Denen

„Marcussen & Son, Orgelbyggeri, Aabenraa — Grundlagt 1806", staat op het briefpapier van Marcussen en Zoon, orgelmakers in het Deense Aabenraa. Dat „opgericht in 1806" lijkt een beetje optimistisch, want Jürgen Marcussen, begonnen in een meubelmakerij in Westersattrup, kreeg pas in 1811 van de koning zijn concessie.

Maar goed, het eerste orgel kwam in 1806 klaar en dat was voor het tegenwoordige bedrijf voldoende om in 1956 fleurig het 150-jarig bestaan te vieren. In 1830 volgde de verhuizing naar Aabenraa. Het binnenhof, dat toen voor vestiging geschikt werd gevonden, bezit nog altijd de romantiek uit die periode, al groeide de orgelmakerij, later, in 1902, gekocht door Johannes Lassen Zachariassen, als kool. Sybrand Zachariassen, de opvolger van Johannes Lassen, stimuleerde die groei bijzonder sterk. Bovendien bezorgde hij Marcussen en Zoon wereldfaam. Hij was namelijk de man, die de gedachten van de Nieuwe Orgelbeweging consequent doorvoerde, zelf prachtige orgels schiep en als wegbereider optrad voor vele orgelbouwers in Europa en daarbuiten. Ook Noord Ierland oriënteerde zich Deens, zodanig, dat het op het ogenblik Deenser is dan de Denen. Eén van onze redacteuren, de eerste Nederlandse verslaggever die bij de firma aan huis kwam, vroeg Sybrand Jürgen Zachariassen, de tegenwoordige directeur. wat hij daarvan dacht. Het antwoord vindt u in bijgaand artikel. Marcussen bouwde in Nederland orgels voor onder meer de NCRV, de Rotterdamse Sint Laurenskerk, de roomskatholieke kerk van Moerdijk, de kerk van Nagele, de doopsgezinde kerk van Groningen en de Nicolai-kerk van Utrecht, terwijl voor de Rotterdamse Laurenskerk nog twee, het grootste krijgt negentig stemmen, bestellingen liggen. Ook komen er Marcussen-orgels in Den Haag en Zierikzee. Eén van de meest spectaculaire bezigheden van de Denen in Nederland was de restauratie van het grote Bavo-orgel in Haarlem.

Bron: Leeuwarder Courant 10-08-1963