Bavo's organisten

Johannes Gijsbertus Bastiaans

Wilp, 31 oktober 1812 - Haarlem, 16 februari 1875

Onder de stadsorganisten, die de Haarlemse traditie van de orgelconcerten in de Grote of Sint Bavokerk verzorgd hebben, verdient Johannes Gijsbertus Bastiaans in herinnering te blijven voortleven wegens zijn aandeel in het herstel van een zuivere orgelstijl en vooral om wat hij in het land van Sweelinck als pionier voor de muziek van Bach betekende. Zijn dienstjaren als Haarlems stadsorganist vallen tussen de jaren 1858 en 1875, het jaar van zijn overlijden.

Zijn voorganger Johan Peter Schumann, had het Müller-orgel 57 jaar bespeeld en bezegelde het dieptepunt waarin het orgelspel vóór de Bach-renaissance gezonken was. Componist Carl Friedrich Zelter, muzikale raadsman van Goethe, die in 1823 een orgelbespeling van Johan Peter Schumann in de Grote Kerk onderging, schreef daarover aan de dichter: „De heer organist liet een uur lang allerlei hekserijen horen, van het soort dat sedert Abbé Vogler’s (1749–1814) ‘Zondenval’ over het geslacht der orgels is gekomen. Oorlog, veldslagen, gekrijs en gejammer, donder, bliksem, hagel en regen, liedjes uit „Der Freischütz" van Weber, koren, aria's ja zelfs recitatieven uit ‘De Schepping’ van Haydn, struikelden, nee, tuimelden over elkaar als koeien die in de wei werden losgelaten."

Deze Schumann was als kind van zijn tijd, waarin een muzikale Slag bij Waterloo het publiek in massa naar een uitvoering kon lokken, feitelijk gebonden aan dergelijke manifestaties die hem gelegenheid boden de capaciteiten van het Haarlemse orgel te demonstreren. Over die capaciteiten was Zelter dan ook verrukt. Maar als één van de voorbereiders van Bach’s heropstanding, Mendelssohn was Zelters leerling en het koor waarmee dit geschiedde was zijn Singerakademie, moest hij een dergelijk misbruik van het orgel een gruwelijke sensatie vinden. Aan deze praktijken kwam een einde  toen Bastiaans de functie van Schumann overnam. Deze nieuwe stadsorganist was door Schneider te Dessau, Mendelssohn en Becker te Leipzig, geschoold in de geest van de Bach-renaissance en in 1838 als vurig apostel van de geniale cantor en magistrale orgelcomponist in Nederland teruggekeerd. Daar bond hij de strijd aan voor zijn idealen, ondervond tegenstand van publiek en collega's, maar verwierf ook bewonderaars.

Bastiaans, te Wilp bij Deventer geboren in 1812, zou zijn muzikale aanleg al vroeg aan het daglicht stellen. Zijn opleiding als organist werd een Deventer musicus toevertrouwd. Nadat zijn vader overleed, kwam hij bij een horlogemaker in de leer, het orgelspel bleef hem echter trekken en als 23-jarige jaar kreeg hij toestemming zijn roeping te volgen. Deze beslissing leidde tot enkele leerjaren in het Mekka van de Bach-beweging waarvan de faam tot Deventer was doorgedrongen en de idealist onweerstaanbaar naar Duitsland lokte. Onder de reisdocumenten bevond zich de reispas, waarop verblijven buiten de grenzen te volgen zijn. Zijn in het Frans gestelde paspoort was op 8 januari 1836 te Arnhem afgeleverd.

Het eerste station op de studiereis, Dessau, een centrum van Bachcultuur, was gekozen om in techniek en Bachstijl onderwezen te worden door componist, organist, dirigent en schrijver over muziek, Friedrich Schneider. Door de kunstlievende hertog van Anhalt-Dessau uit Leipzig, waar Schneider organist van de Thomaskerk, dus een van Bach's opvolgers was, als hofkapelmeester naar zijn residentie gehaald. Schneider werd als componist ook wel voorloper van Mendelssohn genoemd. Op het jonge geslacht maakte hij door zijn spel en zijn veelzijdige ontwikkeling grote indruk.

En zo toog Bastiaans linea recta naar de Leipziger organist om in de kunst van het orgelspel naar de strenge begrippen van de Bach-renaissance ingewijd te worden. Langer dan een jaar bleef hij niet onder zijn leiding. Leipzig met zijn Thomaskerk, conservatorium, Gewandhausconcerten en wellicht ook Mendelssohn lokten hem naar de stad waar Bach gewerkt had. Misschien was Dessau ook te duur voor de beschikbare fondsen: een vermoeden dat blijkt uit een merkwaardig briefje van Bastiaans' moeder, gedateerd Deventer 15 maart 1837, waarin zij schrijft: „Lieve Jan, je zult te Leipzig tot januari of februari 1838 kunnen blijven, vermits de algemene uitgaven daar niet zo groot zullen zijn als te Dessau. Er is A gezegd, nu zal er ook B worden gezegd". Blijkbaar was de oom-voogd, die over de pecunia moest beslissen, gaan twijfelen of de onderneming wel tot een goed einde gebracht kon worden. Na het besluit om in Leipzig verder te studeren, schreef moeder aan haar zoon: „Bij oom herleeft de hoop dat je je doel zult bereiken". Volgens het paspoort van Dessau was niets op Johan's gedrag aan te merken en werd de reispas ‘geltig gemacht nach Leipzig’.

Het volgend visum wees uit, dat Bastiaans ongeveer anderhalf jaar onder de hoede van de muziekregenten van Bachstad werkte. Hij liet hij zich inschrijven bij het conservatorium, waar Carl Friedrich Becker zijn orgel-leraar,  en Mendelssohn zijn mentor compositie werd. Toen Mendelssohn de composities van zijn Hollandse leerling inkeek, moet hij gezegd hebben: „Als ik ooit een Allah in de muziek wordt, dan word jij mijn profeet". Met Becker als orgelleraar groeide Bastiaans uit tot de niet versagende Bach-pionier voor Holland. Bij de programma's van de orgelconcerten van zijn leraar die Bastiaans zuinig bewaarde, was er ook één dat getuigt van het vertrouwen dat Becker in zijn discipel stelde. Het betrof een concert, waarop de leraar zijn Hollandse leerling liet meewerken. Samen vertolkten zij het zesstemmige ricercare uit het Muzikale Offer van Bach en de Fantasie en Fuge in d van Mozart en als solist heeft Bastiaans een Trio van Becker op de naam BACH gespeeld. Dit concert vond plaats op 10 mei 1837, amper vier maanden nadat de muziekstudent zich in Leipzig meldde.

De bewaarde programma's van de Gewandhausconcerten bleken niet minder interessante getuigen van Bastiaan's rijke leerjaar 1837. Verder deed de student ijverig mee aan praktische scholing, door contrabas te strijken in de concertvereniging Euterpe, die hem het erelidmaatschap aanbood. In 1844, toen de aloude Congregazione ed Academia di Santa Cecilia te Rome hem om zijn verdiensten als componist het diploma toezond, verklaarde men hem tot erelid.


„Gut nach Berlin" luidde het volgende visum op Bastiaans' paspoort, maar het werd afgestempeld in Dresden en tot Leipzig geldig verklaard. Volgende stempels wijzen op doortocht te Frankfort en op aankomst in Keulen, waar hij 1 januari 1838 arriveerde, toen daar het Nederrijnse Muziekfeest begon met Mendelssohn als feestdirigent.

Voorts ging het huiswaarts, toegerust met rijke ervaringen, begiftigd met een schitterend attest van Mendelssohn en bezield met idealen die hem als pionier voor de Bach-kunst een leven vol strijd zouden opleveren. In 1839 ving Bastiaans carrière aan als organist van de hoofdstedelijke Zuiderkerk. De virtuoze spelbeheersing  wekte verbazing en bewondering, maar de muziek van Bach die hij vertolkte, alsmede zijn eigen composities waren voor de Hollander van die tijd al te zware kost. Bij terugkeer had hij in Deventer een verrassend staal van kunnen laten horen; een met C. A. Brandts Buys gespeeld Preludium met dubbelfuga over de 98ste Psalm voor twee organisten.

Toen Mendelssohn in 1847 overleden was, huldigde hij diens nagedachtenis met een orgelconcert, waarop hij een voor de gelegenheid gecomponeerde Elegie speelde. Een eigen Fantasie-sonate op het Wilhelmus viel in Haarlem te beluisteren, als orgelsolist van het grote muziekfeest van 1850. De bibliotheek van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis bezit 54 composities van Bastiaans, hoofdzakelijk in handschrift, waaronder zestien edities orgelmuziek. Honderd jaar later wordt er niets meer van uitgevoerd.

Of deze muzikale nalatenschap een beter lot verdient dan in een mausoleum bijgezet te worden, zou kunnen worden onderzocht. Slechts melodieën die hij voor de Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen componeerde zijn bij de Nederlands-Hervormde Gemeente in heel Nederland populair geworden, zonder dat de meesten die deze koralen zingen weten dat ze door de Haarlemse stadsorganist getoonzet werden. Wellicht zijn er ook nog organisten die Bastiaans eigen koraalboek met preludiums en naspelen daarvoor gebruiken, één van de weinige gedrukte werken. Het sober klassieke orgelspel, de consequent zuiver gehouden programma's hadden toch de belangstelling van klaarziende geesten gewekt en zo begon in 1858 zijn Haarlemse periode, gekenmerkt door een groeiende activiteit rond de Bach-propaganda, die pas in zijn vier laatste levensjaren een vaste organisatorische vorm  begon aan te nemen.


Omstreeks 1870 waren de adepten in Nederland talrijk genoeg gemeenschappelijke actie op touw te zetten. Bastiaans, in 1871 grondlegger van een Algemene Bachvereniging met afdelingen te Haarlem, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Delft, stimuleerde concerten met programma's, uitsluitend aan Bach-muziek. Toch was de tijd niet rijp voor zo’n strenge opzet. De Algemene Bachvereniging verdween weer snel. Alleen de Haarlemse afdeling hield stand en zij heeft als Haarlemse Bachvereniging haar zeventigste levensjaar bereikt als concertinstelling om in de omwenteling die de Duitse bezetting meebracht, ten onder te gaan.

Zolang Bastiaans leefde, tot 1875, bleef deze Bachvereniging haar opzet trouw. Later werd echter dit plan verwijd en werd zij een aanzienlijke concertinstelling, die slechts bij hoge uitzondering aandacht aan de Leipziger Cantor schonk. Maar oorspronkelijk leerde het publiek op haar concerten van kamermuziek een andere Bach kennen dan die der geweldige orgelcomposities, waar Bastiaans de Haarlemmers naar had leren luisteren.

Dubieuze bladzijde in de geschiedenis van de Haarlemse periode Bastiaans is de belangrijke wijziging die het orgel van Christiaan Müller in 1868 onderging en in 1961 door de grote restauratie ongedaan is gemaakt. Ware het gebleven bij de registers die Bastiaans aan de dispositie toevoegde, dan zou er geen ernstige reden bestaan hebben om zijn correctie te betreuren; maar jammer was het, dat daarvoor belangrijke registers werden opgeruimd en dat andere voorzieningen het karakter van het instrument niet ongemoeid lieten.

Betreffende deze wijzigingen was ook Bastiaans kind van zijn tijd, zoals zijn voorganger het was op het gebied van onweersmuziek. Wat later afgekeurd werd, omdat het niet in overeenstemming was met het oorspronkelijke klankideaal, werd in zijn tijd door de meesten geroemd en geprezen als een grote verbetering.

Het kan in geen geval iets te kort doen aan de grote verdiensten die Bastiaans als pionier voor zuivere orgelkunst en voor de erkenning van Bach als het orgelgenie „par excellence" verworven heeft. Deze idealen hebben zijn leven gericht. En toen het in Nederland begon te dagen en anderen zijn taak konden overnemen, stierf hij en werd te ruste gelegd op het oude gedeelte van de Haarlemse begraafplaats aan de Schoterweg, waar een sobere grafsteen in notenschrift de naam Bach als het Alfa en Omega van zijn kunstenaarsloopbaan vermeldt.

Bron: oa Jos de Klerk

Klik hier voor een bezoek aan de website over J.G. Bastiaans.