De Mozart’s bezoeken Haarlem

In de loop der eeuwen is Haarlem door vele buitenlanders bezocht. Zij kwamen daar, hetzij met een bepaald doel, hetzij op hun doorreis van 's Gravenhage naar Amsterdam. Verscheidene van die reizigers hebben hun ervaringen, opgedaan in deze lage landen van de zee, opgetekend en uitgegeven. Onder deze reisbeschrijvingen bevinden zich enkele die geschreven zijn door „beroemdheden".

Wij willen ditmaal het woord aan een enkelen hunner geven, en wij beginnen met Wolfgang Amadeus Mozart, die als tienjarige knaap Haarlem bezocht. Zijn vader, Leopold Mozart, onderkapelmeester van de aarstbisschop te Salzburg, had in 1762 in Duitsland zo veel succes gehad met het optreden van zijn kinderen Marianne en Wolfgang, dat hij het volgend jaar een grote reis ondernam, die drie jaar duurde. In Engeland vertoevende kreeg Mozart het verzoek van Prinses Coraline van Nassau—Weinberg, zuster van Prins Willem V, ook in de Haag op te treden. Na eerst enkele malen geweigerd te hebben, vertrok de familie Mozart 1 Augustus 1765 van Londen en reisde via Dover, Eijssel, Gent en Antwerpen naar Rotterdam. De trekschuit bracht hen van daar naar Den Haag. Aan het Stadhouderlijk hof werd de familie zeer minzaam ontvangen, en er werden enige concerten gegeven. Helaas, de beide kinderen werden in Den Haag zwaar ziek, en voorlopig bleef men er dan ook wonen. Eerst einde januari 1766 vertrok de kunstenaarsfamilie naar Amsterdam, waar wederom met groot succes werd opgetreden. Het is niet onze bedoeling hen op de voet te volgen op de reis door Holland, die hen nog onder meer in Utrecht bracht en weer in Den Haag.

 Hier gaat het er om, wat het Mozartgezin in Haarlem deed. Het schijnt niets anders geweest te zijn, dan een uitstapje, gecombineerd met een bezoek aan de drukker en uitgever Enschedé, en een bezichtiging van de Grote Kerk. Immers geen advertentie in een Courant, geen programma, niets duidt er op, dat de Mozart's hier optraden. In maart 1766 dan kwamen zij in Haarlem en stapten af in het logement „Het gulden Vlies" op de Groote Markt. De organist van de Grote Kerk, Henricus Radeker, kwam daar zijn opwachting maken, die, zoals Leopold Mozart zelf in een van zijn brieven schrijft, „onzen Wolfgang uitnodigde op het beroemde grote orgel in Haarlem te spelen, hetgeen de volgende morgen van 10 tot 11 uur gebeurde.

,,Het is een treffend fraai werkstuk met 68 registers. Let wel: alles metaal, want hout is niet duurzaam genoeg in dit vochtige land". Van meer belang was het bezoek, dat de Haarlemse uitgever Enschedé aan Mozart bracht: „hij kwam mij met een gelaat, dat van eerbied straalde, tegemoet en reikte mij het boek over". Dat boek was Leopold Mozart's handleiding tot het vioolspel. In het jaar 1766 werd de Stadhouder meerderjarig, en er verschenen te zijner ere talloze preken, vreugde-, heil- en lierzangen. De boekdrukkerij Enschedé wilde niet achterblijven en bracht dat jaar de vertaling van het reeds beroemd geworden boek van Mozart „als van hare zijde de Prins een bewijs van oprechte hoogachting en diepe eerbied te geven". Het exemplaar van de Nederlandsche vertaling van Mozart's werk, dat in 1766 aan de Prins werd aangeboden in een verguld marokijnleren band, is nog aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag.

Bron: Haarlems Dagblad 04-01-1940

 

 

In de gloed van de globe

Wij blijven deze week in eigen land en gaan naar één van die grote Hollandse kerken om er wat cultuurgeschiedenis te leren. Menig kerkinterieur heeft zijn karakter, dat ontleend schijnt aan z'n natuurlijke omgeving. De Grote Kerk van Dordrecht bijvoorbeeld heeft de verheven lichtglans van een rivierlandschap. De Sint Jan van Gouda is van binnen bont en vol vergezichten, als het omringende polderland. Leidens Sint Pieter en Sint Pancras zijn vervuld van de gulden lichtpraal, die Rembrandts geboortestreek kenmerkt.

En de Grote Kerk van Haarlem is het kunstige pendant van de Hout: een intiem wandelbos met kleurig omrankte stenen stammen, schaduwrijke doorkijkjes, literaire fantasie-opwekkertjes, bloesemende ornamenten en een hemel vol geluid. Niettegenstaande de laat-gotische bouwtrant heeft het arcadische karakter van de oude Sint Bavo iets, dat vooral aan de 18de eeuw doet denken, aan de tijd toen in kunst en levensstijl het largo der barok was overgegaan in het speelse refrein van de rococo.

Aanleiding tot die gedachte is het grote orgel. Wat is het heerlijk, op een „open plek in het Haarlemse kerkwoud" te luisteren naar die muziek. Voor onze ogen, in overdrachtelijke zin natuurlijk, wieken gevleugelde fantasieën rond onder de houten kruisgewelven. De ontspannen gedachten worden in de werveling van de windmuziek tot in de hoogste verte opgevoerd in de heraldieke top van het barokke orgelfront. Dit front vol pijpen is op zichzelf al iets, waarop je niet gauw komt uitgekeken: trotse samenbundeling van matzilverig tinnen reuzenriet in roodbruin lofwerk gevat: bazuin-stekende engelen aan weerszijden, de figuren van David en Asaph op de ronde torendaken; en heel in de hoogte Haarlems stadswapen tussen staartzwaaiende leeuwen met de woorden Vicit Vim Virtus.

Mèt de orgelklanken zweeft de fantasie door de ruimte van de tijd tot ze ergens midden in de 18de eeuw, om precies te zijn in 1766, een kolommetje van het eiken koorhek blijft rusten. Historie wordt gewekt en een visioen doemt op... Allereerst historie. Het is 1766. Prins Willem V is kort geleden meerderjarig geworden. Den Haag is prachtig versierd en geïllumineerd en uit het verre Salzburg is een muzikaal wonderkind aangekomen, dat Wolfgang Amadeus Mozart heet. Hij heeft voor de feestelijke gelegenheid het „bekende liedje" Wilhelmus van Nassouwe voor 't klavier bewerkt en dit mag hij nu ten paleize voorspelen. Het oude Holland vermaakt zich best; het is een eiland van vrede midden in een onrustig Europa, waar zich allerlei sterke maatschappelijke en culturele stromingen doen gelden. Men zingt hier nog lustig „vivat Oranje hoezee".

Langs de Amsterdamse grachten met hun burgerpaleizen trekken luxe-paardjes deftige koetsen en toesleden voort. Toch is het „grote gebaar" van de gouden eeuw al grotendeels vervaagd. Er is wat minder zekerheid, wat minder evenwicht. Iedereen zoekt zich een nieuwe levenswijs. Niet voor niets rijden de rijtuigen de steden uit naar buitenplaatsen. Overal klinkt een nieuw geluid, zacht gekweel van vogelstemmen, geruis van beekjes en watervalletjes. Frankrijk heeft al een nieuwe levenswijze gevonden, die de natuur als uitgangspunt kiest. Jean Jacques Rousseau is de profeet van deze stijl. Maar... de natuur wordt in het keurslijf van de mode gestoken, het is een namaaknatuur. De mensen scheppen zich interieurs met schelpen en rotsen (rocaille — rococo), meubelen met bokkepoten van gepolitoerd mahonie, van, rozen-, amarantenen citroenhout. Men idealiseert het herdersleven. Dan... weer een nieuw tijdperk kondigt zich aan, een tweede renaissance, die men voortaan classicisme zal noemen. Pompei en Herculaneum zijn ontdekt. In ontwikkelde jongelui als Goethe wordt de liefde voor de Antieke Wereld wakker. Het asymmetrische van de rococostijl maakt plaats voor het mathematisch zuivere. Het is een renaissance zonder dynamiek. De bokkepoten worden gecanneluurde zuiltjes. Het neutrale, omzichtige Holland staat ook voor deze mode open en de grote kerkorgels met hun enorme contrastwerking ln vorm en harmonie, hun eindeloze mogelijkheden van imitatie en improvisatie halen diep adem om de veelkleurige wereld in eindeloze variatie te kunnen uitzingen.

En nu komt het visioen uit 1766, let op. Een klein gezelschap schrijdt over de grauwe zerken van zuidertransept in de Haarlemse Bavokerk: twee gepruikte heren en een jongetje van 'n jaar of tien met stijfjes opgebonden hoogblond haar — misschien gepoederd ? — en grote levendige ogen. Het ventje draagt een rood fluwelen jacquet met goudbrokaat en blinkende knopen, een kuitbroek en een lichtblauw vest, das en mouwlubben van witte kant. Leopold Mozart, uit Salzburg, en zijn zoon het wonderkind, laten zich door de organist van de Bavokerk, Henricus Radeker, naar het koninklijk instrument leiden.

De kleine Wolfgang Amadeus, pas hersteld van een lelijke ziekte, kijkt nieuwsgierig links en rechts. Er is zoveel te zien voor een kind: de scheepjes, de rare pilaarbijter van hout en de jachthonden aan de voet van het koorhek, de ijzeren handjes die het vlechtwerkhek van de Doopkapel vastgrijpen, de zwevende kansel. De Haarlemse Sint Bavo is een wonder, nog altijd! Wolfgang houdt van grillige versieringen, een echt kind van het barokland Oostenrijk. Samen met zijn zusje Nannerl heeft hij een fantasie-koninkrijk gesticht, waarin alleen kinderen mogen wonen. Samen leven zij de gehele dag in dat rijk en verzinnen de vreemdste woorden, woordverdraaiingen en kolder, om voor ouderen onverstaanbaar te zijn. Maar in zijn geest draagt hij de taal rond, die voor de hele wereld verstaanbaar zal blijven: de muziek van Mozart.

In onze gedachten zien we hem achter de organist Radeker de trap naar het orgel opgaan. Hij neemt achter de speeltafel plaats, achter de blanke en donkere, met schildpad belegde toetsen. Het stenen woud begint te ruisen van de wind, de hoge kerk van Haarlem trilt onder de vleugelslag van het muzikale genie, dat tijd noch begrenzing kent. Stil... stil... Mozart speelt! Denk er eens aan, als je in Haarlem bent!

Algemeen Handelsblad 05-08-1961