Op zoek naar Christian Müller

Een paar jaar geleden was ik uitgenodigd om enkele orgels in de Harz te bespelen in het kader van een orgelweek. Na gedane arbeid werd ik voor de overnachting verwezen naar een klein, mij onbekend dorp. Het was echter niet de idyllische ligging van dit dorp en zijn hotel (hoewel daar niets mis mee was) welke zich in mijn geheugen heeft gegrift. Want op de nachtelijke rit naar het bewuste dorp lichtte plotseling een wegwijzer op, waarop niet alleen de naam van het bewuste dorp stond, maar daaronder nog een andere naam: St. Andreasberg. Ik bleek mijn nachtrust te gaan genieten op luttele kilometers afstand van de geboorteplaats van Christian Müller!

Door: Jan Jongepier

  De bedevaart naar het bewuste stadje, de volgende morgen, was onontkoombaar en vond plaats in de stromende regen. Geen uitnodigend weer om eens rustig rond te kijken dus. Van achter de beregende autoramen werd wel duidelijk dat er van de bebouwing, die Christian Müller als kind waargenomen moet hebben, niet zo erg veel meer over was. Dan maar de plaatselijke boekhandel bezocht. Op zoek naar heemkundige literatuur, altijd aanwezig in een Duitse boekerij, kwam er al spoedig een gesprek op gang. Had men wel eens van Müller gehoord?

Er bleken veel Müllers te zijn, zowel in het verleden als in het heden. Ja, daar waren ook wel orgelbouwers bij, daar was wel wat over bekend. Wisten ze dan van hun grote zoon, die in Nederland zo’n imposante reputatie als orgelmaker had verworven? Nee, beslist niet. Waarom zou hij naar Nederland zijn gegaan? Waarom juist naar Amsterdam? Speelden de handelscontacten tussen de zilvermijnen en de Amsterdamse zilversmeden misschien een rol? Allemaal vragen, die onbeantwoord bleven. Ik ben dan ook niet verder gekomen dan die ene boekhandel. Ongetwijfeld zullen er historici zijn die er meer over kunnen vertellen. Daarom moet ik dat bezoek nog maar eens overdoen, zonder stortregen liefst, en beter voorbereid, in plaats van in een spontane opwelling. Als bedevaart, verrijkt met een flinke hoeveelheid ontroering, was het echter zeker de moeite waard.

Het bezoek confronteerde me in de eerste plaats met het kind, de jongen, die Christian geweest moet zijn. Het landschap dat hij waarnam toen hij opgroeide, de plek waar hij gespeeld heeft. Maar ook met de vraag, wat hij na zijn schooljaren is gaan doen. We moeten ons te binnen brengen dat Müller ruim vijfentwintig jaar oud was, toen hij in Amsterdam arriveerde. In de vroege 18e eeuw kon iemand dan zeker volleerd en ervaren geweest zijn. Daarmee stuiten we dus op een periode in Müllers leven die tot nu toe een blinde vlek in zijn geschiedverhaal is gebleven. Bij welke orgelmakers leerde hij het vak? Welke orgels leerde hij kennen in het gebied van zijn jeugd? Waar kwam hij in aanraking met de specifiek Duitse constructie van tongwerken, die in de vroege 18e eeuw de Hollandse traditie van de 17 e eeuw verdreef? Allemaal vragen die hoogst intrigerend zijn, maar die tegelijkertijd voorlopig op antwoord moeten blijven wachten.

Er zit niets anders op dan de draad van Müllers levensverhaal op te pakken op het moment dat uit documenten zijn aanwezigheid in Amsterdam gebleken is. In 1718 werkt hij bij de Amsterdamse orgelmaker Cornelis Hoornbeeck. Onzeker is overigens wanneer hij daar gearriveerd is. Een jaar later blijkt hij zich zelfstandig gevestigd te hebben in Amsterdam. Dan pas wordt hij ook ingeschreven als lidmaat van de Lutherse Gemeente te Amsterdam. Wat dan volgt, kunnen we als de eerste vijf jaar van zijn werkzame Nederlandse periode beschouwen. Men zou het wat denigrerend de periode van de vingeroefeningen kunnen noemen, ware het niet, dat alles wat hij ondernam na oplevering zeer werd geprezen.

Afgezien van werkzaamheden aan het orgel van de St. Jan’s Kathedraal in ’s Hertogenbosch, die hij samen met Rudolph Garrels uitvoerde, waren het drie Amsterdamse orgels, waaraan Müller ingrijpende werkzaamheden uitvoerde. Geen van die drie instrumenten kunnen we nog beluisteren. We zijn dus aangewezen op de archivalische bronnen, die ons zowel over de aard van het werk als over de uitkomsten inlichten. Indirect speelt hierbij ook het orgel in de Grote kerk van Leeuwarden, zijn eerste grote nieuwe orgel, nog een rol. Het ging hier om drie orgels van recente makelij. Het feit dat Müller opdracht kreeg deze orgels ingrijpend te wijzigen, hield zeker geen verband met gebreken of slechte constructie. Als belangrijkste reden voor de opdracht klinkt door, dat men de klank van de orgels krachtiger wenste. Ervaringen met de nog vrij jonge traditie van kerkzangbegeleiding lijken hiervoor dan ook de aanleiding te zijn geweest.

Müller werkte achtereenvolgens aan de orgels van de Nieuwe Lutherse kerk (Cornelis Hoornbeeck 1719), waaraan hij ongetwijfeld in dienst van Hoornbeeck zelf had gewerkt), de Oude Lutherse kerk (Johannes Duyschot 1693) en de Oude Remonstrantse kerk (Thomas Weidtman 1719). Het meest omvangrijke werk was de ombouw van het orgel in de Nieuwe Lutherse kerk. Naast wijziging van de dispositie van de bestaande werken voegde Müller een derde manuaal, een Bovenwerk, aan het orgel toe. Uit de nieuwe dispositie alleen al komt Müllers stempel overtuigend tevoorschijn. Het orgel kan worden gezien als het eerste grote stadsorgel van 18e eeuwse signatuur, dat de binding met de 17e eeuwse klanktradities heeft verbroken. Nieuwe geluiden werden geïntroduceerd en een krachtige, dragende totaalklank moet in de ronde kerk met zijn fameuze akoestiek grote indruk hebben gemaakt.

Van Amsterdam moeten we ons nu naar Leeuwarden verplaatsen. Maar eerst nog even Amsterdam, want dat speelt een rol in dit verhaal. De burgemeesters van de stad Leeuwarden wensten in de Grote Kerk een nieuw orgel. Bij de vraag wie dat zou moeten maken, stuitte men op een probleem. De Friese orgelbouwtraditie van de 17e eeuw was met de dood van Jan Harmens beëindigd. Een opvolging diende zich niet aan. Kijkend naar Groningen, of beter gezegd Zwolle, zal men aan Frans Caspar Schnitger gedacht hebben, die echter zojuist in Alkmaar aan het werk was gegaan. Het moet Henricus Radeker geweest zijn, die op de jonge Amsterdamse orgelmaker Christian Müller heeft gewezen. Henricus’ vader, Johannes Radeker, kwam uit de leerschool van Schnitger en had lange tijd samen met Matthias Amoor en Rudolph Garrels in Groningen een soort Schnitger filiaal geleid. Als zelfstandig orgelmaker had hij in 1721 het orgel van de Martinikerk te Franeker vernieuwd, wat overigens niet zo gelukkig had uitgepakt.

Langs deze weg moet zijn zoon Henricus van het Leeuwarder probleem hebben gehoord. Dan wordt Reynoldus Popma van Oeveringh, de organist van de Grote Kerk van Leeuwarden, opgedragen in Amsterdam contact met deze Müller te zoeken. Dat is dan ook gebeurd. De rest van het verhaal is dan fictie, maar wel leuke fictie, en ook niet helemaal onwaarschijnlijk. Ik stel me dan voor, hoe Popma van Oeveringh, die in Friesland niet zoveel grote orgels en kerken gewend was, in die Nieuwe Lutherse kerk dat Hoornbeeck-Müller-orgel ondergaat. Hoe overweldigend moet dat geweest zijn. Daar is ook die veronderstelde indirecte band tussen de drie Amsterdamse ‘vingeroefeningen’ van Müller en het Leeuwarder Müller-orgel ontstaan. Wie de disposities van beide orgels naast elkaar legt, ziet zoveel overeenkomst, dat het lijkt of Popma van Oeveringh het als model - of anders gezegd als idee - voor het nieuw te bouwen Leeuwarder orgel heeft aangewezen. Zelfs de bijzondere opstelling van het derde manuaal in Leeuwarden, achter een wand die zelfs geheel gesloten kan worden, zou uit het Amsterdamse voorbeeld kunnen zijn afgeleid. Wie zich de maten van het Amsterdamse front te binnen brengt en de krappe opstellingsruimte ter plekke kent, moet zich wel afvragen hoe Müller ruimte gevonden heeft voor de toegevoegde grotere pijpen en het toegevoegde derde manuaal. Een wat verstopt opgesteld derde klavier zal, wanneer de klank ervan hoog uit de koepel neerdaalde, immers een onvergetelijk effect hebben gehad.

Wanneer we op zoek gaan naar de vroege, de jonge Müller, stuiten we helaas in Amsterdam op drie belangrijke ontbrekende schakels. Het Leeuwarder orgel kan wanneer we het als een vervolg op het orgel van de Amsterdamse Nieuwe Lutherse Kerk interpreteren, dit gemis aanvullen. Temeer confronteert het Leeuwarder orgel ons dan met het respect voor het talent dat Müller geweest moet zijn en dat in de vroege jaren '20 van de 18e eeuw in Amsterdam reeds tot ontplooiing was gekomen.

De Leeuwarder periode is voor Müller een drukke tijd geweest. Na enig voorbereidend werk moest de werkplaats op een gegeven moment naar Leeuwarden worden verplaatst. Omdat de orgelmaker, zijn familie en medewerkers zich enige tijd metterwoon in de Friese hoofdstad vestigden, werden zij ook als lidmaat van de Lutherse Gemeente aldaar ingeschreven. Op 16 december 1725 werden ingeschreven “Christian Müller, van St. Andriesberg, Catharina Beverwijk, van Amsterdam (Müllers tweede echtgenote, JJ), Caspar Müller van St. Andriesberg en Johan Michel Schwartzburg van Mülhausen”. Tot 1727 zou dit gezelschap in Leeuwarden woonachtig blijven.

Naast de bouw van het orgel in de Grote Kerk werden nog een viertal andere projecten uitgevoerd in die periode: een nieuw orgel in de kerk van Beetgum (1726, met gebruikmaking van ouder pijpwerk), een nieuw orgel met Hoofdwerk en Rugwerk in Menaldum (1727) en herstellingen aan de orgels van Huizum en Koudum. Ook Müllers medewerkers waren bij die zijdelingse activiteiten actief. Hun namen duiken meerdere malen in de archieven op bij de vermelding van betalingen. Vooral de naam van Schwartzburg komt enkele malen voor. Voor hem geldt waarschijnlijk hetzelfde dat voor Müller gold: hij moet veel van het vak beheerst hebben toen hij zich bij de werkplaats aansloot.

Schwartzburg is bovendien een van de vele medewerkers van Müller die na de oplevering van een groot orgel een zelfstandige vestiging als orgelmaker aankondigt. Illustere namen als Vitus Wigleben, Johann Heinrich Hartmann Bätz en waarschijnlijk ook de latere Engelse orgelmaker John Snetzler, moeten in dit verband genoemd worden. Müller had niet alleen een groot talent als orgelmaker, maar ook als manager met een fijne neus voor de kwaliteit van zijn gekozen medewerkers.

Ook Johannes Radeker heeft nog aan de bouw van het Leeuwarder orgel meegewerkt. In hetzelfde jaar dat het Leeuwarder orgel werd opgeleverd, maakte hij een eenklaviers orgel voor de kerk van Sint Annaparochie. Of de hierboven voor Müllers medewerkers genoemde positieve kwalificatie ook aan Radeker kan worden toegedicht, blijft evenwel de vraag. Zijn zoon Henricus Radeker was door de uitkomst van de Leeuwarder orgelbouw echter zo gesterkt in zijn opvattingen over Christian Müller, dat deze in het volgende decennium van de 18e eeuw een van de meest monumentale orgels van het Europa van die dagen mocht bouwen: het orgel van de St. Bavokerk te Haarlem.

Men zou verwachten dat Müllers roem na de oplevering van dit imposante instrument onaantastbaar gevestigd zou zijn. Het Haarlemse orgel oogstte immers zowel nationaal als internationaal van meet af aan grote bewondering. En dat niet alleen vanwege de ongewoon monumentale afmetingen. Ook Müllers Haarlemse klankconcept, een grotere en rijkere uitwerking van de lijn die in Amsterdam was ingezet en in Leeuwarden was voortgezet, vond een buitengewoon enthousiast onthaal. Niets is echter minder waar. Natuurlijk, er was concurrentie. Rudolph Garrels was actief vanuit Den Haag, en Bätz’ ster steeg na zijn eerste nieuwe orgel in 1750 ook met rasse schreden. Maar ondanks dat krijgt men toch de indruk dat de titel van dit verhaal na de bouw van het Haarlemse Bavo-orgel wederom op Christian Müller van toepassing kan worden verklaard.

Op zoek naar Christian Müller…….. Waar was hij, na 1738?
Uit de jaren 40 van de 18 e eeuw dateren enkele gesigneerde en gedateerde kabinetorgels van zijn hand. Juwelen van intieme orgels, met grote meesterhand en met grote precisie gemaakt. Maar vlak na de oplevering van het Haarlemse orgel wordt de vernieuwing en vergroting van het Vater-orgel in de Oude Kerk te Amsterdam niet aan de Amsterdamse Müller, maar aan zijn in Den Haag gevestigde broer Johannes Caspar opgedragen. Uitgerekend een orgelmaker, van wie geen enkel ander project bekend is. Dat is een raadsel, dat tot op de dag van vandaag nog nooit opgehelderd is.

Pas in 1749 levert Christian Müller weer een nieuw orgel af, in de Lutherse kerk te Rotterdam. Hij verrast hier met een nieuw frontontwerp, dat afscheid neemt van de klassieke frontindeling zoals deze vanaf het midden van de 17e eeuw voorkwam. Hetzelfde concept, op onderdelen licht gewijzigd, is in 1756 bij het nieuwe orgel van Beverwijk toegepast. Twee andere orgels uit deze laatste periode honoreerden wél het klassiek Hollandse frontconcept: het orgel dat in 1754 gemaakt werd voor de Engelse kerk op het Begijnhof in Amsterdam, en het laatste werk dat hij voltooide; het orgel in de Kapelkerk te Alkmaar uit 1762.

Maar met de simpele vermelding van deze vier tweeklaviers orgels is de zoektocht naar Christian Müller allerminst naar tevredenheid beëindigd. Om die voort te zetten moeten we nog heel wat in de Amsterdamse binnenstad rondkijken. In Müllers dagen waren daar veel collega-orgelmakers te vinden. Op een gegeven moment in de tweede helft van de 18e eeuw telde de Amsterdamse binnenstad wel dertig orgelmakers! Velen van hen hielden zich in leven met het maken en verkopen van huisorgels. Maar hoe deden ze dat? Hielpen ze elkaar? Goten ze allemaal hun eigen metaalplaten? Maakten ze allemaal hun eigen pijpwerk? Het is haast ondenkbaar.

We hebben in de zoektocht naar Müller al veel namen ontmoet van goed gekwalificeerde orgelmakers die als medewerker optraden bij de bouw van een groot instrument. Hield die samenwerking dan op, zelfs wanneer men in dezelfde straat woonde? Het zijn vragen, die mede gevoed worden door iets, dat ik een ‘Amsterdamse’ stijl zou willen noemen. Elementen in de orgels, zowel in de kerken als in de huisorgels, waarin overeenkomsten opvallen. Disposities, vorm van handklavieren en omlijstingen, plaatsing van registerknoppen.

Namen van orgelbouwers als Onderhorst en Paradijs komen dan in beeld. Maar ook die van Johannes Stephanus Strumphler, die zijn eerste orgels in ons land levert wanneer Christian Müller al zes jaar overleden is. Heeft hij hem gekend? Of zijn de sterke overeenkomsten tussen Strumphlers werkwijze en die van Müller alleen te verklaren vanuit iets onzichtbaars in Amsterdam, dat klanken, disposities en vormen aanstuurde? Het is de vraag of we op de zoektocht naar Christian Müller, door de Amsterdamse binnenstad, langs de nog immer schoon klinkende orgels, of in de papierwinkel van de geschreven archieven de antwoorden op al die vragen ooit zullen kunnen vinden. Is dit erg? Nee, want een zoektocht is nog altijd te prefereren boven complete zekerheid of iets dat daar voor door moet gaan. Op zoek naar Müller heb je als antwoord genoeg aan de klank van een van zijn orgels, bijvoorbeeld die van het sprankelende instrument in Beverwijk, dat al 250 jaar getuigt van Müllers grote vakmanschap en artisticiteit. Alle imponerende eigenschappen van de Müller-klank zijn hier te horen: rijke en zilverachtige geluiden in de afzonderlijke prestanten, een draagkrachtig plenum, fluitregisters met enerzijds volheid van toon en anderzijds ook weer poëzie, tongwerken met een kleurrijk klankpatroon. Dit alles in een perfecte balans.

Wat een weelde!