Het beroemde orgel in de Sint Bavo te Haarlem heeft een grondige restauratie ondergaan, waaraan thans de laatste hand gelegd wordt, zodat met Pasen de orgelklanken weer door de kerk zullen ruisen. De pijpen worden gestemd. (Foto Polygoon)

Het orgel in de oude Sint Bavokerk te Haarlem heeft een grondige restauratie ondergaan. Gedurende de Paasdagen zal de bekende organist Georg Robert het orgel weer bespelen. In april van het jaar 1735 werd een begin gemaakt met de bouw van het orgel, dat een hoogte heeft van 20 meter en een breedte van negen meter en dat meer dan vierduizend pijpen bevat. (Polygoon)

HAARLEM, 2 mei 1936 - In het begin van het jaar 1735 werd door de Burgemeesteren en de Vroetschappen der stad besloten een nieuw orgel in de St. Bavo te laten bouwen. Voor de bouw daarvan werd een fonds gevormd, waarin f 20.000 gestort werd door de Casze van de Heren van de Krijgsraedt en f 30.000 door de Regenten van het Proveniershuis als tegenprestatie voor hetgeen zij bij de oprichting van het Huis van de stad genoten hadden.

Het stadsbestuur gaf opdracht aan de „stads-onderfabryk", een technisch ambtenaar, nu zou men zeggen een hoofdambtenaar van Openbare Werken, om te beraadslagen met Christiaen Muller, meester-orgelmaker en Jan van Logteren meester-beeldhouwer, beiden te Amsterdam, om „met dezelve te formeren een behoorlijk Bestek met Cieringe van de kosten en alles hetgeen tot het nieuwe Orgel, Beeltwerk en alle andere materialen van noden zal zijn.”

Er werd beslist dat het orgel zou komen in de westergevel, waar toen een groot geschilderd glasraam stond van Georgius van Egmond, Bisschop van Utrecht. Het uitnemen van dit glasraam en van nog twee kleine vensters werd aanbesteed voor f 245. Meteen werd toen begonnen met het maken van de fundering en de opgaande muurwerken voor het orgel

Er werd in die tijd spoed betracht, ruim een maand na het raadsbesluit voor de bouw werd reeds aan Christiaen Muller opdracht gegeven het orgel te maken voor 20.000 Caroli guldens. Te voren was al beslist, dat het orgel zou bestaan uit drie manuaal klavieren en een vrij pedaalklavier‚ tezamen 60 registers. In het orgel mocht een gedeelte van het materiaal van het oude orgel verwerkt worden.

Onmiddellijk werd met de voorbereiding van de bouw begonnen, maar met de eigenlijke uitvoering moest toch gewacht worden tot het voorjaar van 1736. Het is dus in deze tijd juist 200 jaar geleden dat het orgel werd gebouwd.

Met de voorbereiding en de bouw was ongeveer drie jaar gemoeid. Toen het in 1738 klaar was, is het werk van Muller „geëxamineerd” door enige deskundigen door het Stadsbestuur daartoe aangewezen. Dit waren G. F. Witvogel, organist van de nieuwe Lutherse kerk te Amsterdam, G. Harringa, organist te Alkmaar, Veltkamps, organist der Grote Kerk te ’s-Gravenhage en H. Radeker‚ organist te Haarlem. Zij rapporteerden dat het orgel aan alle eisen voldeed, zij hadden het „met uyterste verwonderinge en admiratie gesien en gehoord” en gaven de „verseekeringe dat zij geen lof meer van het werk gegeven hebben, dan de maker en zijn gemaakte toekomt.”

Muller had het in hem gestelde vertrouwen dus niet beschaamd. Het orgel telde 60 stemmen, waaronder 15 tongwerken, terwijl het getal pijpen 4088 bedroeg. Tegelijk met de opdracht aan de orgelmaker Muller werd het ,‚beeltwerk" gegund aan Jan van Logteren, beeldhouwer en steenkoper te Amsterdam voor 2800 Caroli guldens.De levering van de vier pilaren voor het balkon van het orgel werd gegund voor 1150 Caroli guldens.

Beneden het orgel staat een wit-marmeren beeldengroep, voorstellende de Godsvrucht, de Dicht- en de Toonkunst, aan wier voeten een hoorn des overvloeds zijn rijke inhoud van vruchten en bloemen uitstort. De Eeuwigheid vliegt boven deze drie beelden, een kleed uitgestrekt houdend. Eerst heeft op die plaats een ornament, de Tijd voorstellend gestaan, maar dit voldeed niet, zodat nog in 1736 besloten werd dit te vervangen. Dit is het werk van de Haagse beeldhouwer Xavery, die er 6500 gulden voor bedong.

Het stadsbestuur was ook met de resultaten van zijn arbeid zeer ingenomen. Het orgel werd 14 September 1738 in gebruik genomen door Hendrik Radeker, organist. Reeds dadelijk werd het orgel geroemd om zijn mooie klank. Een geschiedschrijver uit de 19e eeuw zegt:

„Geen wonder dat het orgel een algemene vermaardheid verlangde en de aandacht ook trok van buitenlandse kunstenaars zoals o.a. van Händel. Button, Mendelssohn, de Abt Vögler en anderen, die het bespeeld hebben en daarover het meest gunstige oordeel uitgesproken hebben.” -

De stadsorganist de heer George Robert vertelde ons dat ook hij reeds aandacht gewijd had aan het jubileum van het orgel. De viering van het 200-jarig bestaan zal plaats hebben in 1938, want dan is het 200 jaar geleden dat het orgel in gebruik genomen werd.

Omdat zulke vieringen lange tijd van voorbereiding eisen is het, zo vervolgde de heer Robert, uitstekend daarop nu reeds de aandacht te vestigen wat de plannen aangaat zou de herdenking tweeledig kunnen zijn.
De uitwendige toestand van het orgel laat te wensen over. Er zou getracht kunnen worden, ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan een inzameling te houden om aan de gemeente een bedrag aan te bieden dat bestemd is voor de restauratie.

In 1905 heeft de laatste grote restauratie van het orgel plaats gehad. Toen is evenwel slechts een deel van de pijpen aan het front voldoende onder handen genomen. Nu zou dit werk voltooid moeten worden. Maar alleen daarmee zou reeds een uitgaaf van f: 2500 gemoeid zijn. Er zijn bovendien ook nog enige inwendige restauraties nodig zodat de gemeente voor een vrij grote uitgave zou komen te staan. Als de burgerij, — de inzameling zou niet tot Haarlem beperkt behoeven te blijven want het orgel dat een der mooiste, misschien zelfs het mooiste is der kerkorgels uit de 18e eeuw, is een Nederlandsch bezit! — een gedeelte van het vereiste geld bijeen zou brengen, zal de gemeente wellicht het ontbrekende voor haar rekening willen nemen daar het orgel toch haar eigendom is.

Bovendien zou in het jaar van het jubileum een reeks orgelconcerten georganiseerd kunnen worden waarvoor bekende organisten uit het buitenland zouden uitgenodigd kunnen worden. Als voor die concerten dan een geringe toegangsprijs gevraagd zou worden, zou het mogelijk zijn als de kerk vol belangstellenden loopt, baten te verzamelen ter versterking van het restauratiefonds.

Bron: Haarlems Dagblad | 2 mei 1936
 

Orgel Grote Kerk te Haarlem 200 jaar

HAARLEM -1938-09-13 |14 september viert het beroemde orgel in de Grote of Sint Bavo-kerk te Haarlem zijn 200-jarig bestaan. In verband hiermee is het zeker interessant over het bouwen van orgels en over het ontstaan van dit orgel in het bijzonder het een en ander te vernemen. De oorsprong van het orgel, is reeds in de oudheid te zoeken. Als voorloper van dit instrument kan men de panfluit beschouwen, die men vergrootte, van klankgaten voorzag en tenslotte door een kunstmatige luchtstroom geluid deed geven. Het waterorgel bij de Grieken was bijvoorbeeld zo'n instrument.

Men neemt aan, dat in West-Europa het orgel omstreeks de negende eeuw in de kloosters in gebruik genomen is. In die tijden die vooraf gingen aan de middeleeuwen, stonden veel moeilijkheden een grootse ontplooiing van dit instrument in de weg. Zij waren voornamelijk van technische aard, zoals het aanbrengen van klankvariaties en de windvoorziening. Eerst in de 14de eeuw heeft de techniek dergelijke vorderingen gemaakt, dat het orgel belangrijke verbeteringen kon ondergaan. Door middel van het systeem van windladen bracht men een nieuw element, het register in het orgel. Tevens verbeterde men de middelen om de windvoorziening meer doelmatig te doen geschieden en uit die tijd dateert ook de invoering van voetklavier of pedaal.

Men moet niet vergeten, dat de orgels uit de vroege middeleeuwen zeer moeilijk te bespelen waren, aangezien de toetsen zeer breed waren. Daardoor kon men moeilijk veel toetsen tegelijk omvatten en om hieraan tegemoet te komen, bedacht men nu een primitief pedaal dat zich sindsdien in de orgelbouw gehandhaafd heeft. Zo bouwde bijvoorbeeld in de 15de eeuw de monnik Nicolaas Faber uit Halberstadt een 3-klaviers orgel met pedaal. De 16e eeuw bracht veel verbeterde blaasbalgen; voorts construeerde men nu gedekte pijpen en tenslotte voerde men de zogenaamde tongwerken in, het systeem van onze huisorgels. Ook de uitbreiding en verbetering der manualen, de toetsenborden voor de handen, voltrok zich en reeds kende men in de 17de eeuw vier octaven. De 18de eeuw mag met recht het bloeitijdperk van de orgelbouwkunst genoemd worden en vooral in Nederland, maar ook in Duitsland en Frankrijk bereikte het orgel een hoge trap van ontwikkeling. De Hollanders hadden veel geld over voor het bouwen van fraaie orgels en in deze tijden ontstonden dan ook ware meesterwerken. Zeer bekend waren de orgels van Müller in Haarlem en Nijmegen, van Schnitger in Zwolle en Alkmaar en van Vink in Schiedam.

De meesters met hun gezellen bouwden geheel eigenhandig deze orgels, waarmee vaak jaren gemoeid waren. Het is dus wel te begrijpen, dat zij ware kunstenaars van het zuiverste gehoor en van het degelijke handwerk moesten zijn. Een van de grootste kunstenaars op dit gebied was Christiaan Müller te Haarlem, die opdracht kreeg om in samenwerking met de beeldhouwer Jan van Logteren en de stadsarchitect Hendrick de Werff een ontwerp voor een nieuw orgel in die Grote kerk te Haarlem te maken. Vóór die tijd had de kerk al heel wat andere orgels gehad. Zo is men er zeker van, dat de kerk, voor het jaar 1578 drie orgels telde: een groot orgel aan de Noordzijde, een tweede boven de sacristie en tenslotte nog een in de Noordergalerij boven de kapel van Schagen. Men weet niet, wanneer ze geplaatst werden, maar wel moeten ze er omstreeks het jaar 1400 al gestaan hebben.

Het grote orgel aan de Noordzijde verwierf evenals zijn opvolger, grote vermaardheid, want mannen als Handel, Burton en Vögler speelden er op en verkondigden de lof er van. Uit de literatuur van die dagen blijkt dan ook, dat het Grote orgel in de Sint Bavo als het schoonste instrument ter wereld beschouwd werd. Maar zoals het met alles gaat, langzamerhand begon dit prachtige bouwwerk tekenen van naderende ouderdom te vertonen. Er kwamen voortdurend meer gebreken aan het licht en de burgemeesters van de stad Haarlem besloten dan ook wijselijk de bouw van een nieuw orgel aan te besteden, waarvoor men een bedrag van 50.000 gulden uittrok.

En zo kon het dan gebeuren, dat de keuze viel op Christiaan Müller als bouwer van het nieuwe orgel. Aan de Haagse architect Marot werd opgedragen, de tekeningen voor het orgel te vervaardigen en naar dit voorbeeld maakte Müller samen met zijn gezellen in de loop van drie jaar, het nieuwe orgel. Omstreeks augustus van het jaar 1738 kwam men gereed en het nieuwe bouwwerk werd nu aan de westzijde van de kerk geplaatst, waartoe eerst de fundamenten gelegd waren door Christiaan van Maris. Het is te begrijpen, dat men met spanning de dag tegemoet zag, waarop het instrument ingewijd zou worden. Men koos daarvoor de 14en september 1738. Men benoemde nu een technische commissie van bekende organisten die hun oordeel over het nieuwe instrument moesten uitspreken. Zij waren het er eenparig over eens, dat Müller buitengewoon gelukkig geweest was en door niemand ooit overtroffen zou kunnen worden. Het nieuwe orgel had drie klavieren en een vrij pedaal met samen zestig registers. De toon was de „cornettetoon", dus één toon hoger dan de operatoon".

Zelfs had Müller van het oude orgel nog enige onderdelen gebruikt; namelijk zes blaasbalgen en een aantal pijpen. Voorts bezit het orgel een frontpijpwerk van zuiver tin, terwijl de andere pijpen uit een mengsel van gelijke gewichtsdelen van tin en zuiver lood bestaan. En het schitterende van het werk van Müller is, dat alle pijpen nog even goed zijn als op de dag van aflevering. Zeer veeleisend waren de orgelbouwers in de keuze van hun metalen en houtsoorten en heden ten dage weet men nog niet zeker of zij werden gekozen om hun waarde voor de klank of slechts wegens hun duurzaamheid.

Toch zijn de orgels niet meer in hun oude staat. Men heeft namelijk de stemming veranderd. De kwestie van de stemming van een orgel is een zeer ingewikkeld vraagstuk. De oude orgels waren zeer hoog afgestemd, omdat men vóór 1858 nog niet het begrip van „absolute toonhoogte" kende. Eerst in dat jaar heeft de Parijse Academie als grondslag de één-gestreepte A aanvaard en het aantal trillingen van dezen toon op 435 per seconde bepaald, zodat er eerst na die tijd een einde aan de verwarring komen kon. Niemand minder dan Händel verkondigde zijn lof over het nieuwe prachtige orgel: „Enige geluiden er van zijn zo zacht als de trillende tonen van een lieflijk zingende vogel; andere echter zijn zo sterk, dat zij het kolossale gebouw, waarin het staat, doet daveren.... Wel een bewijs dus welk een prachtige prestatie Müller met de bouw van dit kunstwerk geleverd had.

Bron: Nieuwe Apeldoornsche courant 13-09-1938

Lindenboom uit Haarlemmerhout straks als Asaph op orgel van Grote Kerk

De twee Asaphs, de ene aan het einde van zijn Hebreeuws, de andere nog in staat van wording

HAARLEM, 12 oktober 1949 - In oktober 1946 besloot de Haarlemse gemeenteraad na enig debat f 6700 ter beschikking te stellen om de restauratie van het orgel in de Grote Kerk te bekronen met de vervaardiging van een nieuw beeld van de opperzangmeester Asaph.

Immers, een onderzoek had uitgewezen dat het houten beeld dat de Amsterdamse beeldhouwer Van Slogteren in 1735 voor het instrument van Christiaan Müller van Asaph had gemaakt in verregaande staat van ontbinding verkeerde. Vele houtwormgeslachten hadden zich er twee eeuwenlang dik aan gegeten, zo dik dat de exemplaren die er na een behandeling met blauwzuur door de Gemeentereiniging levenloos in werden aangetroffen, van ongewone afmetingen waren. Dat was midden in de oorlog en zij die toen tot het bestuur van de Spaarnestad geroepen meenden te zijn, toonden geen overmatige sympathie voor Oudtestamentische figuren, zelfs niet wanneer zij vijf en dertig meter boven de begane grond op een orgel stonden. . . .

Architect Smits van Openbare Werken heeft toen het mapje met foto's, die ter voorbereiding van de vernieuwing waren genomen, maar opgeborgen tot betere tijden. Na de oorlog was er wel geld; de provincie gaf een subsidie van duizend gulden en het Rijk zelfs het dubbele van dat bedrag.

De opdracht voor Asaph junior werd aan de Haarlemse beeldhouwer Jan Verdonk gegeven, wiens wieg overigens in het Brabantse stond. En degene die de toegang tot het atelier van deze kunstenaar, verscholen in het geboomte van de Zuiderhout, weet te vinden, kan hem daar dagelijks aantreffen, beitelende, stekende en snijende aan een houten kolos die zijn voltooiing al aardig begint te naderen. Nog dit jaar hoopt de herschepper met hem klaar te komen.

„Zo eenvoudig als wat”
De jonge Asaph moet natuurlijk als twee druppels water op zijn voorzaat lijken en dat bereikt de heer Verdonk met een nauwgezet gemanoevreer met de puncteermachine of met drie passers, waarbij heel wat driehoeksmetingen te pas komen. Maar van enige lof over zijn mathematisch inzicht wil de man met dat hele arsenaal van beitels en hamers niet weten: „Het is zo eenvoudig als wat. Een kind kan de was doen”. Waarvan acte.

Natuurlijk heeft men niet voor niets dit precisiewerk aan de heer Verdonk opgedragen: reeds voor de oorlog restaureerde hij met vaste hand de stenen runderkoppen die de gevels van de Vleeshal sieren en voorzag hij een oud-Gotisch plafond in het Stadhuis van consoles. En menige wandelaar langs de Herenweg in Heemstede is dat geestige houtsnijwerk opgevallen dat bij een villa de leveranciers de weg wijst naar de keuken: een harmonicaspeler en een slager met een varken onder de arm, die de uitgestoken duim van de huisknecht volgen. Ook dat is van Jan Verdonk, die de kunst van zijn vader heeft afgekeken en een leven in dienst van de kunstnijverheid achter de rug heeft.

Uit een linde
Om tot Asaph terug te keren: de nieuwe editie wordt gehouwen uit een in de oorlog gesneuvelde linde uit de Haarlemmerhout. Deze boom is in tien centimeter dikke repen gezaagd die vervolgens — na langdurig gedroogd te zijn — tegen elkaar zijn gelijmd. Op deze wijze werd het drogingsproces tot een minimum beperkt en bovendien hoopt men dat werking in het hout door vocht en andere invloeden beperkt blijft. Ook de oude Asaph was van lindehout, blijkbaar nogal een lekkernij voor de houtwormen, in ieder geval meer dan het Amerikaanse grenen, waaruit het Schild, dat Asaph in de hand houdt en waarop de woorden voorkomen: „Psalm Asaphs: Singht vrolick Gode” was gemaakt. Dit bord bleef onaangetast en zal ook het nieuwe exemplaar in de hand worden gegeven. Daarentegen zal de luit, die door de andere hand wordt vastgehouden opnieuw worden gemaakt.

De achttiende eeuwse beeldhouwer heeft overigens volgens dezelfde methode gewerkt. Ook Asaph Sr. bestaat niet uit één boomstronk, doch uit verscheidene delen. Om het werk te vergemakkelijken heeft Van Slogteren een been van de Leviet —Asaph was het hoofd van een door David ingesteld zangersgilde en dichtte verscheidene Psalmen van nationale strekking — uitneembaar gemaakt en Verdonk heeft dat voorbeeld gevolgd.

Confrontatie
Zo staan de twee Asaphs nu naast elkaar in de werkplaats, van de één zijn de dagen geteld en hij moet toezien hoe zijn opvolger naar zijn beeld wordt geschapen. De ander bevindt zich nog in statu nascendi, doch kan, schouwende op zijn voorganger, de waarheid overdenken van het „van stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”. Om dat te bewijzen prikt Verdonk de oude eens in de buik. De molm dwarrelt op de vloer, de lijken van een paar vette houtwormen komen achterna.

Doch de jongste verhovaardigt zich reeds dat hem dat nooit zal overkomen. Er zal wat D.D.T. door de glansverf gemengd worden en hij verwacht wonderwat van dat preparaat. Maar wie weet of hij ook niet over tweehonderd jaar met ijzerdraad bij elkaar gehouden moet worden. Zover is het nog niet. Zijn eerste sensatie, het moeizaam optakelen naar zijn hoge standplaats waar hij oog in oog met een ongeschonden David zal staan, moet nog komen.


Bron: Haarlems Dagblad | 12 oktober 1949

George Robert speelt Hendrik Andriessen, Sonata da Chiesa

AVRO radio opname uit 1936. Organist George Robert speelt op het Muller-orgel in de Oude Bavo te Haarlem de Sonata da Chiesa van Hendrik Andriessen. Deze opname is bewaard gebleven op glasplaat. Het geluid werd via de telefoon (radiodistributie?) vanuit de Bavo naar Hilversum gestuurd en rechtstreeks uitgezonden, door de Avro. Er werd dus ook een glasplaat van gemaakt, dat was een procedé in de jaren 30. Soms werd voor de artiest een kopie gemaakt, zoals in dit geval. Deze kopie is in de familie Robert bewaard gebleven. Rond 2010 heeft Harry Coster (Audiolab Harry Coster in Hilversum) de plaat voor ons in de computer gezet, en hier is dus de opname. Helaas een flinke tik, barst in de 2e plaat, aan het eind.

Het tweede eeuwfeest van het orgel der St. Bavo

Het oude orgel in 1636, geschilderd door Pieter Saenredam

HAARLEM -  13-09-1938 | Een ieder die Haarlem kent, kent de machtige oude St. Bavo, en kent het eveneens machtige, oude orgel in de St. Bavo. Heden is het juist 200 jaar geleden dat dit orgel voor het eerst bespeeld werd. Allang vóór 1738 had men in de Spaarnestad de behoefte gevoeld aan een nieuw orgel. Het oude was weliswaar zeer beroemd geweest, maar vertoonde langzamerhand toch vele ouderdomsgebreken. Het kostte het bestuur van Haarlem echter heel wat hoofdbrekens eer in 1735 definitief het besluit viel om een nieuw orgel te laten bouwen. Om de kosten te dekken, verleende de regering een krediet van 50.000 gulden. Een zeer groot bedrag voor die dagen. ƒ 30.000 hiervan werden betaald door de regenten van het Proveniershuis, die op deze wijze hun schulden aan de gemeente aflosten, terwijl ƒ 20.000 uit de Krijgskas werd getrokken.

Nadat de tekeningen waren gemaakt door de Haagsen architect Daniël Marot, die hiervoor achttien gulden en achttien stuivers kreeg, gingen de stadsarchitect Hendrick de Werff, de orgelmaker Christiaan Müller en de beeldhouwer Jan van Logteren — de beide laatsten uit Amsterdam — aan het werk. Drie jaren werkte men aan de bouw van het grote orgel. Eigenlijk vier orgels, dit kunstwerk van Christiaan Müller bestaat uit drie handklavieren en een vrij pedaal-klavier, die samen ruim 4000 pijpen hebben en 60 registers. Er zijn dus eigenlijk vier aparte orgels. Vooral het vooruitspringende zogenaamde rugpositief (benedenhandklavier) dat los staat van het grote middenstuk, waarvoor de organist gezeten is, valt in het oog. In verhouding tot het machtige geheel lijkt het klein. Toch heeft het meer dan 1200 pijpen.

Het wonderlijke van de pijpen van het Christiaan Müller-orgel is wel het geringe aantal houten pijpen. Op enkele baspijpen na, zijn allen van tin. Toen Leopold Mozart, de vader van de grote Wolfgang Amadeus het orgel bespeeld en bewonderd had, schreef hij zijn vriend Haugenauer te Salzburg: „Alles van tin, want hout is niet duurzaam in dit vochtige land". De windtoevoer werd eerst geregeld vanuit twaalf grote, schuin opgaande balgen. Deze zijn vervangen door grote, vierkant opgaande dubbele reservoir-balgen, die in beweging worden gebracht door ruim 400 liter aangevoerde wind of geperste lucht van 110 mm. druk waterhoogte.

Ook verder hebben er veranderingen aan het orgel plaats gehad. Toch heeft het orgel nog steeds zijn oude roem en het verdient die ten volle! Sinds op 13 september 1738 de bekende organisten Hendrik Radeker uit Haarlem, Frederik Witvogel van de Nieuwe Lutherse Kerk te Amsterdam en Gerard Havinga uit Den Haag het bespeelden en als technische commissie een enthousiast rapport inleverden, brachten vele beroemde organisten uit binnen- en buitenland de grote schepping van Christiaan Müller een bezoek en hun lof was eenparig. Te Haarlem in de Grote Kerk vindt Friedrich Händel ,,dat het beroemde orgel voor het schoonste van de gehele wereld gehouden mag worden. Enige trillende geluiden van hetzelve zijn zo zacht, als de trillende tonen van een lieflijk zingende vogel; andere wederom zo sterk, dat zij het kolossale gebouw, waarin het staat, doen daveren ..." Aldus schreef niemand minder dan de grote componist en organist Händel.

Ook de toen 10-jarige Mozart was verrukt over de heerlijke klanken van het orgel, toen hij het bespeelde. De concerten die het Haarlemse gemeentebestuur organiseert worden de Haarlemse burgerij gratis aangeboden. De beste organisten uit Haarlem en omstreken spelen de beste muziek aller eeuwen. Niet alleen voor de Haarlemse bevolking is dit zo al jaren lang een genieting, uit het hele land komen de bewonderaars naar het orgel luisteren. Maar ook voor de buitenlanders bleken de orgelconcerten een speciale attractie om naar Haarlem te reizen. Vele beroemde musici en componisten uit de gehele wereld hebben in de laatste twee eeuwen een bezoek gebracht aan de St. Bavo en zij verlustigden zich in de klankenpracht van het orgel van Christiaan Müller. Terecht wordt dit meesterwerk ook door deze generatie als een uiterst kostbaar cultuurbezit in hoge ere gehouden.

Hedenavond biedt het Gemeentebestuur een orgelconcert aan, waaraan Jo Vincent en Annie Woud hun medewerking zullen verlenen. De toegang is gratis en voor iedereen toegankelijk. Wij hopen dat het knappe werk van een vorige generatie nog lang zal bestaan en de mensen in deze, van geweld en barbarendom vervulde tijd, waarin cultuur en kunstschatten te gronde gericht worden, nog veel goeds en schoons zal kunnen geven.

Haarlem, 11 Sept. KARL. P.

Bron: Het volksdagblad: dagblad voor Nederland 13-09-1938