Het orgel in de St Bavo verwaarloosd?

Algemene verontwaardiging en tegenspraak

Ons gemeentebestuur zal een commissie van onderzoek benoemen

De orgelbouwers A. S. J. Dekker te Goes geven een periodiek „Het kerkorgel" uit. In het laatste nummer is een „hoofdartikel” opgenomen over het orgel in de St. Bavokerk te Haarlem. In de kop wordt meteen al verteld, dat het in zeer slechte toestand verkeert en zelfs ongeschikt is voor bespeling.

Het stuk luidt: „Schrijver dezes had het niet onverdeelde genoegen de eerste augustus de orgelbespeling bij te wonen in de Bavokerk te Haarlem, gegeven op het zo bekende orgel door de stadsorganist, de heer George Robert.

Wij waren er met zijn vijven heen getogen, vier Engelsen en ondergetekende. De Engelse heren, vergezeld van hun echtgenoten, waren de meest bekende Engelse kerkorganisten. In een stemmig „vol-verwachting” trokken wij naar de statige kathedraal, waar de organist zeer stipt op tijd zijn programma begon af te werken. Waar in dit artikel uitsluitend betoogd wordt het orgel op zichzelf te bespreken, beperken wij ons tot het instrument als zodanig.

Men hoeft werkelijk geen orgelbouwer te zijn om te bemerken dat het front er miserabel uitziet. Een aantal frontpijpen (ongeveer 1/3 deel) zijn op goedkope wijze met wat aluminiumbrons „bijgewerkt” terwijl 2/3 der pijpen zonder enige behandeling is gebleven, en hun kleur dus bij de voortduur „vuil-groen" blijft.

Och Christiaan Müller, maker van dit grote orgel, wat er van te denken wanneer men in de tramwagens van Haarlem leest, en in iedere gids over Haarlem, dat dit het schoonste, het grootste, kortom het meest perfecte instrument van ons land is. Wanneer dus iedereen zó daarvan overtuigd is, mag het wel een nationale schande heten dat dit meesterwerk zo verwaarloosd wordt.

De stemming van het orgel was zo slecht, dat wij ons bij tijden verwonderden, dat de organist niet zijn registers sloot en aan het talrijk gehoor (c.a. 400 personen) mededeelde dat het orgel niet te gebruiken was. Dit zou op de vele aanwezige buitenlanders een veel betere indruk hebben gemaakt dan deze demonstratie van wat ons mooiste orgel wordt genoemd. Het was werkelijk een nationale blamage. Het was Curaçao II. Doch gelukkig, of helaas, is deze vernedering niet zo algemeen bekend. Daarom zullen waarschijnlijk nog niet die maatregelen zijn getroffen, die dringend nodig waren.

Wanneer een staccato wordt gespeeld met flink aantal registers, krijgt men medelijden met het orgel. Een oude man met astma. De windtoevoer lijkt in zeer ongelukkige toestand te verkeren‚ alsmede de verdeling van de windtoevoer over de verschillende registers. Wellicht is ’t hele werk „windziek”.

Het klepperen der mechaniek was van tijd tot tijd duidelijk in de kerk te horen, boven de zachte registers uit! Een groot aantal tonen der muziekstukken kwam absoluut niet door, zodat men de verkeerde indruk zou krijgen, dat deze tonen vergeten werden aan te slaan. Dit vond natuurlijk zijn oorzaak daarin, dat bij vlug spel een onvoldoende aanspraak werd verkregen voor sommige registers of pijpen.

Een pedaalsolo waarin een tongwerk domineerde, was werkelijk de bekroning der ellende. Het leek of een kudde geiten in zijn geheel werd afgeslacht.Wij hopen werkelijk voor de organist, dat men zijn orgel, in oorsprong van schitterende conceptie, voor hem in prima toestand zal brengen. Wij zijn overtuigd, dat daarvoor nog al een en ander nodig zal zijn. Het gehele orgel mist op het ogenblik de „expressie”. Het is niet schitterend, het heeft geen glans, integendeel: het klinkt mat, al zijn er enkele zeer goede stemmen te beluisteren.

Veel, zéér veel zal er wel moeten geschieden, wil Nederland met dit orgel zijn reputatie kunnen handhaven. Thans is het een aanfluiting, een bespotting van de Nederlandsche kerkelijke muziekkunst. en Nederlandsche orgelbouwkunst. Juist thans nu het Nederlandsche pijporgel in zo grote mate in het buitenland wordt verkocht, moet het wel bedroevend stemmen, wanneer onze buitenlandse gasten zulk een impressie meenemen van wat men hier in Nederland „mooi" noemt.

Mijn Engelse bezoekers wilden gaarne het orgel ook aan de speeltafel even bekijken, daar zij zich er voor interesseerden en in de Engelse vakbladen het gehoorde nader wilden behandelen. Helaas kon de heer Robert zich niet beschikbaar stellen de Engelse deskundigen het werk te laten bezien. Wellicht waren dan nog enige waardevolle gegevens verstrekt geworden, die voor de buitenlandse orgelliefhebbers van belang waren.

Wij hopen in één der volgende nummers op dit orgel terug te komen.Laat men in Haarlem echter de ogen openen en erkennen: wij hebben roofbouw gepleegd met dit schone stuk, deze schone erfenis van vroeger eeuwen. Misschien is het thans nog tijd. Dit stuk is een noodkreet, een roep:

BEHOUD ons NEDERLANDSCH HAARLEMSCH orgel!”

Onze organist George Robert aan het woord.
De stadsorganist de heer George Robert was over dit artikel zeer verontwaardigd. Alle daarin geuite beschuldigingen zijn ongegrond. Het orgel is in uitstekende staat. Alleen zal het nodig zijn een gedeelte van de pijpen die verkleurd zijn opnieuw een behandeling te laten ondergaan, maar dat heeft met de klank van het orgel niets te maken. De heer Robert had zich onmiddellijk tot het gemeentebestuur gewend met het verzoek om maatregelen te nemen tegen dit onwaardige geschrijf, dat blijkbaar ingegeven is door concurrentie.


Maatregelen van ons gemeentebestuur.
De gemeentesecretaris Mr. A. Wesstra deelde mede, dat het gemeentebestuur, uit overweging dat dit stuk vermoedelijk zijn weg zal vinden in de Nederlandsche pers, besloten heeft om een commissie van drie vooraanstaande orgelkunstenaars uit te nodigen om een onderzoek in te stellen naar de toestand van het orgel en daarover rapport aan B. en W. uit te brengen.


De heer Wesstra deelde nog mede. dat het gemeentebestuur overtuigd is, dat het orgel in voortreffelijke staat verkeerd. Men moet evenwel bedenken dat het een 17de eeuws orgel is, zodat het niet aangaat het te vergelijken met een modern kerkorgel. Toch kan op ons orgel nog alles gespeeld worden en wordt de klank door elk bewonderd. De commissie wordt dan ook alleen ingesteld om een afdoende deskundige tegenspraak van dit artikel in „Het Kerkorgel” te krijgen.

De mening van onze deskundige.
De heer Karel de Jong, die wij het artikel lieten lezen, schrijft; „Ik kan verklaren dat de laatste maal dat ik het orgel in de Grote Kerk hoorde, nl op 31 augustus j.l., mij, wat de klank betreft, zomin als vroeger iets bijzonders getroffen heeft dat tot de felle aanklacht van de heer Dekker aanleiding zou kunnen geven. Het verwondert mij bovendien een dergelijk stuk als dat van de heer D. aan te treffen in een blaadje dat uitsluitend of althans grotendeels de belangen van één enkele firma schijnt te dienen".


Bron Haarlems Dagblad 1929-09-17

Buitengewone verontwaardiging

Ondergetekende heeft met buitengewone verontwaardiging kennisgenomen van het artikel over het orgel in de Grote of St. Bavo kerk te Haarlem, door de heer Dekker te Goes. Als geregeld bezoeker was ik ook aanwezig op de eerste augustus, en hoewel niet deskundig, kan ik toch verklaren, en vele anderen met mij, dat het voor mij wel een onverdeeld genoegen was, om ook deze orgelbespeling bij te wonen. En wie jaar in, jaar uit de orgelbespelingen in de Grote Kerk beluisteren, zullen met mij verontwaardigd geweest zijn bij het lezen van zulk geschrijf!

Ik zou  de heer Dekker, die schrijft dat het orgel de expressie mist, wel eens willen vragen om b.v. de „Finale" van César Franck te komen beluisteren, of één van de koralen van Hendrik Andriessen‚ en zich dan eens af te vragen, of het orgel dan nog een „oude man met astma" is.
Trouwens b.v. bij het slotstuk van bedoelde middag „Pièce Héroique” van César Franck, liet de expressie m.i. niets te wensen over.
Maar zoals ik boven reeds opmerkte: ik ben niet, deskundig, en dit stukje is maar een stem uit het „publiek”. Doch gesteld, dat het orgel in die slechte staat verkeerde, zoals de heer Dekker het gelieft voor te stellen, zouden dan mannen als Albert Schweitzer en Prof. Walter Fischer, Domorganist te Berlijn dit orgel hebben willen bespelen?

’t Zou misschien wel aanbeveling verdienen, om het oordeel van deze beide mannen over hun ervaring van het Haarlemse orgel eens te vragen!
De heer Dekker zal dan misschien tot de ontdekking komen, dat hij, terwille van zijn eigen reputatie als orgelbouwer en -deskundige beter gedaan had, genoemd artikel niet te schrijven. Want iemand, die een prachtig orgel als het Haarlemse zó beoordeelt, mag zich toch wel afvragen, of hij recht heeft, zich deskundig te noemen!

Met dank voor plaatsing.

CHR. R.

Bron: Haarlem's Dagblad | 19 september 1929

Van heer Dekker's aanklacht blijft vrijwel niets over

Onze lezers zullen zich herinneren dat in september van het vorige jaar de orgelbouwer A. S. J. Dekker. te Goes. in het periodiek „Het Kerkorgel” een felle aanklacht plaatste met betrekking tot het orgel in de Grote- of St. Bavokerk. Dit orgel zou in zeer slechte toestand verkeren en zelfs ongeschikt zijn voor bespeling, volgens de heer Dekker.

B. en W. hebben naar aanleiding van dit artikel een commissie van drie vooraanstaande orgelkunstenaars uitgenodigd een onderzoek in te stellen naar de toestand van het orgel en daarover rapport aan B. en W. uit te brengen. Deze rapporten zijn thans ingekomen en zoals met reden verwacht mocht worden, luiden zij alle drie onverdeeld gunstig.

Prof. Albert Schweitzer aan het woord.
Op 12 November 1929 schreef Prof. Schweitzer voorlopig aan de burgemeester van Haarlem onder meer het volgende: U moet zich door het bedoelde artikel niet laten verontrusten. Het orgel van de St. Bavo is een zeer schoon instrument dat door de gemeente in geen enkel opzicht verwaarloosd is. De schrijver van het artikel is geen kenner”.

Later volgde een uitvoerig rapport van Prof. Schweitzer, waaraan wij het volgende ontlenen: Het artikel van de heer Dekker, aldus Prof. Schweitzer, maakt de indruk. geschreven te zijn door iemand die van de oude mechanische Hollandse orgels niets weet. Het is onjuist te zeggen dat de gemeente Haarlem deze erfenis der vaderen niet goed bewaard heeft. Zeker, het orgel van de Grote Kerk moet vroeger of later gerestaureerd worden. waarbij dan het volgende in het oog moet worden gehouden:

-1 De oude klankschoonheid en het oude klankkarakter moeten geheel hersteld worden.
-2. De nadelen die aan de oude orgels kleven moeten zoveel mogelijk weggenomen worden.
-3. Wanneer er plaats voor is zal een zwelkast moeten worden aangebracht.
-4. De oude windladen moeten zoveel mogelijk behouden blijven.

De restauratie moet geschieden met behoud van het oude, voor zover dat mogelijk is. Wij moeten blij zijn dat de gemeente Haarlem het orgel niet gemoderniseerd heeft! Maar er is met deze restauratie absoluut geen haast. Het komt er niet op aan dat zij over drie, dan wel over vijf jaar plaats vindt. Alle oude orgels van Holland moeten in afzienbare tijd gerestaureerd worden en men hoede er zich voor, ten opzichte van het mooie Haarlemse orgel zich aan proefnemingen te wagen.
 
Het oordeel van de heer Johan Wagenaar
Aan het oordeel van Dr. Johan Wagenaar, directeur van het Koninklijk Conservatorium te ’s-Gravenhage, oud-organist van de Domkerk te Utrecht, is het volgende ontleend: Dat het orgel in de Bavokerk in zeer slechte toestand is en ongeschikt voor bespeling is beslist onjuist. Het instrument bevindt zich in goede toestand, het is volledig geschikt voor bespeling, niet alleen wat betreft de kerkdiensten, maar ook voor concert-doeleinden.

Het front ziet er inderdaad, daarin heeft de heer Dekker gelijk, niet fraai uit. Binnen afzienbare tijd zal moeten worden overgegaan tot een nieuwe bewerking van de middelste frontpijpen. Met de zuiver-muzikale kunstwaarde van het orgel heeft dit niets te maken. Bij mijn stemming van het orgel heb ik de stemming over ‘t algemeen goed gevonden.

Over de opmerking van de heer Dekker betreffende de slechte windtoevoer en het wellicht ,,windziek” zijn van het orgel zegt Dr. Wagenaar: ,,Ik ben naar staccati, gespeeld met vol werk, gaan luisteren in de kerk. Zij spraken, onder andere in het G-dur-Preludium van Bach, zo correct aan, dat mij bij het aanhoren, geen noot van deze compositie ontging terwijl nota bene de kerk geheel leeg was en dus een tamelijk j sterke ‚‚resonanz" veroorzaakte. Van „astma" heb ik hierbij niets kunnen ontdekken.

Volledigheidshalve vermeld ik, dat een in de discant aangehouden akkoord een zeer geringe schudding vertoonde als men in de bas daarbij zeer scherpe staccati speelde. Dit geval vindt men evenwel in de meeste oudere orgels en ook in vele moderne orgels. De organist van een orgel, dat dit euvel vertoont, ontgaat dat gewoonlijk door liggend akkoord en staccato op verschillende manualen te spelen, vandaar dat men er gewoonlijk niet veel van bemerkt. Bovendien moet ik constateren dat de beving van het akkoord in dit geval uiterst gering was.

Mocht een restauratie van het orgel plaats vinden dan is hierin hoogstwaarschijnlijk nog verbetering te brengen door aanwending van compressors, waarvoor de ruimte in het orgel aanwezig is. Intussen acht ik dit niet van zulk een belang, dat men alleen daarom thans reeds een restauratie zou ondernemen.

Wat betreft „windziekte“ van het orgel: de proeven die ik desbetreffend nam wezen uit dat er geen sprake is van „windziekte“ Beneden in de kerk heeft Dr. Wagenaar zelfs bij zacht passagespel geen enkel gedruis van bijkomende aard kunnen oonstateren. Het orgel wordt ook in dit opzicht behoorlijk onderhouden.

De heer Dekker zegt in zijn artikel onder meer: „Een pedaalsolo waarin een tongwerk domineerde, was werkelijk de bekroning der ellende. Het leek of een kudde geiten in haar geheel werd afgeslacht". Hierover verklaart Dr. Wagenaar: Deze bemerking is mij ten ene male onbegrijpelijk. Ik heb het pedaalsolo dat op de bewuste orgelbespeling voorkwam in het slot van Cesar Franck’s Pièce Heroique voor mij laten herhalen. Ik was daarbij in het midden van de kerk en werd juist getroffen door het schone pedaal-timbre. Daarna heb ik alle pedaaltongwerken afzonderlijk gehoord. Van alle was het timbre buitengewoon mooi, zelfs het 2vts register Cinq 2 dat vaak te scherp is, was in dit instrument van fraaie klank. Het is mij dus een raadsel hoe men hier een vergelijking met een „kudde geiten" kan trekken.

Dr. Wagenaar eindigt zijn rapport aldus: Met ruime artistieke opvattingen en begrippen is men tot waardering van alle goeds, in verschillende stijlen en van verschillende stijlen, in staat. Mochten de Engelse gasten van de schrijver van het bewuste periodiek no. 7 het St. Bavo-orgel niet 'mooi' vinden, dan is dat een kwestie waarom wij Nederlandsche kunstenaars onze opinie niet veranderen zullen. Zij mogen hun smaak even vrij hebben als wij de onze. Ieder ernstig en oprecht kunstenaar moet in deze naar eigen artistiek geweten oordelen. Oh hij dan Engelsman, of in ‘t algemeen: buitenlander, of Nederlander is, dit doet niets ter zake.

De mening van de heer Cornelis de Wolf
Ook de heer De Wolf, organist van de Grote Kerk te Arnhem en Hoofdleraar voor orgel aan het Amsterdams Conservatorium van 'Toonkunst", oordeelt zeer gunstig over het Haarlemse orgel. Het orgel, zegt hij, bevat een schat van prachtige stemmen. Intonatie, egalisatie en prompte aanspraak zijn zeer goed. De windvoorziening is goed en de reservoirs, regulateurs en kanalen winddicht. De opmerking omtrent het front van het orgel is juist. Het gemeentebestuur van Haarlem zal niet aarzelen het front weer een zilverglans te geven. Klepperen van het mechaniek hoort men in de kerk slechts van het derde klavier en dan nog zeer matig.

De heer Robert heeft mij een fragment van het Bachwerk dat hij 1 augustus speelde. Praeludium et Fuga in G dur, doen horen. Alles kwam voortreffelijk door, zelfs motieven in de linkerhand. Dit zijn je ware Bach-orgels. De heer De Wolf eindigt: Restauratie van het orgel is dus totaal overbodig: het instrument wordt zeer degelijk onderhouden. Alles samenvattende aarzel ik niet te zeggen:

BRAVO! ORGEL — ST. BAVO!


Toelichting van de heer George Robert
De stadsorganist. de heer George Robert geeft bij deze rapporten nog de volgende toelichting: Mag bij de rapporten van de heren Wagenaar en de Wolf commentaar overbodig heten, het schrijven van Prof. Schweitzer, de beroemde orgelexpert, theoloog en arts en vereist mijns inziens enige toelichting omdat het naast de opmerkingen betreffende het St. Bavo-orgel enige beschouwingen bevat over restauratie van oude orgels in het algemeen.

Zo toch moeten wij de opmerkingen, l tot en met 4, van het rapport beschouwen; immers, veel van hetgeen hier staan is reeds bij vorige restauraties en in de loop der tijden geschied, bijvoorbeeld het aanbrengen van een pneumatische hefboom, hetwelk in 1905 geschiedde. '

Het is verklaarbaar, dat Prof. Schweitzer, die begin 1928 een concert-tournee door ons land maakte en aan zijn concerteren op het St. Bavo-orgel schone herinneringen bewaarde, bij zijn beschouwingen over eventueel restaureren, niet uitsluitend het St. Bavo-orgel voor de geest heeft gehad, maar wel verschillende oude orgels in ons land die, waarschijnlijk, wel voor een restauratie als door hem bedoeld, in aanmerking komen.

De opmerking: ‚Sicherlich ist‚ dass früher oder später die Orgel zu St. Bavo restauriert werden muss”, is natuurlijk juist en geldt voor alle soortgelijke artistieke monumenten uit vroegere eeuwen. In dit opzicht is de gemeente Haarlem zich dan ook immers van haar plicht bewust geweest; om de zoveel jaren wordt gerestaureerd. Dat hierbij niet alleen de wens heeft gegolden dit schone orgel als „museumstuk te conserveren maar dat tevens de noodzakelijkheid is ingezien dat het instrument ook in komende tijden een actieve rol als concertinstrument heeft te vervullen, mag als bewijs voor juist inzicht van het Gemeentebestuur gelden.

Haarlem's Dagblad | 15 februari 1930