HAARLEM , 23-11-1956 - In ons blad van donderdag publiceerden wij het door het hoofdbestuur van de Nederlandse Organisten Vereniging aan de Haarlemse gemeenteraad gerichte adres, waarin ernstig bezwaar wordt gemaakt tegen de bij B. en W. al enige tijd in beraad zijnde plannen om op advies van een speciaal daartoe gevormde commissie het Müllerorgel in de St. Bavo kerk te laten restaureren door de Deense orgelbouwer Marcussen.

In dit adres grondt het hoofdbestuur van de N.O.V. zijn bezwaar ondermeer op het feit dat de Nederlandse uitvoerder van restauraties onder andere in Alkmaar en Zwolle, die in binnen- en buitenland als de meest opmerkelijke en stijlvolle restauraties worden beschouwd, door de adviescommissie niet is genoemd en dat de Deen Marcussen als restaurateur niet bekend staat.

De vicevoorzitter van de N.O.V. de heer J. Matter, deelde ons op informatie nog mede, dat de kwaliteiten van de Deen Marcussen door het hoofdbestuur hoog worden aangeslagen, doch dat de vakbekwaamheid van Nederlanders voor de zijne niet onder doet.

Naar aanleiding van dit adres hebben wij het oordeel gevraagd van enkele Haarlemse organisten. De heer Albert de Klerk zei ons het steeds betreurd te hebben dat de adviescommissie niet een Hollandse firma voor deze restauratie heeft aanbevolen.

„Ik heb het grootste respect voor de vakbekwaamheid van Marcussen maar ik weet dat er een Hollandse restaurateur is die hem kan evenaren. Marcussen heeft bovendien respect voor wat bijvoorbeeld Flentrop in Zwolle heeft gepresteerd", aldus de heer De Klerk.

Kunstenaarschap
De organist Klaas Bolt is een andere mening toegedaan. Tijdens zijn verblijf in Denemarken, zomer '55, was hij in de gelegenheid een aantal door Marcussen gebouwde orgels te horen. Deze ervaring heeft hem de overtuiging gegeven, dat de kwaliteiten van Marcussen ver uit gaan boven die van enige Hollandse orgelbouwer of restaurateur. „De Hollanders zijn in de afgelopen tien jaren ongetwijfeld bijzonder vooruitgegaan. Zij zijn vakbekwaam maar zij missen het kunstenaarschap dat nodig is om de oude klank van een orgel bij restauratie te bewaren. De restauratie van het Schnítgerorgel in Zwolle heeft dit bewezen."

,,Marcussen is wel in staat de oude klank te behouden. De adviescommissie heeft aanmerkingen op het werk van Flentrop, die de restauratie van vrijwel alle orgels in Nederland op zijn naam heeft", aldus de heer Bolt.

Cor Kee onthield zich liever van een oordeel in deze kwestie. „Ik begrijp trouwens niet welke moeilijkheid er is. Flentrop werkt in Zweden. Waarom kan een buitenlander dan niet voor een Nederlands project worden aangezocht? Laat men dit gewoon beschouwen als culturele uitwisseling”.

Geen samenwerking
Piet Kee zei slechts dat drie leden van de adviescommissie “lid” zijn van de Hervormde Orgelcommissie die samenwerking met de restaurateur van de orgels in Alkmaar en Zwolle om niet nader te noemen motieven uitsluit. Hij hoopte, dat er een rechtvaardige beslissing zou worden genomen.

George Robert, oud-stadsorganist en lid van de adviescommissie, heeft nogmaals te kennen gegeven dat hij de plannen van de commissie om de Deen Marcussen voor deze restauratie aan te zoeken, onderschrijft.

Dr. H. L. Oussoren, eveneens lid van de adviescommissie, maakt bezwaar tegen een opmerking in ’t adres van het hoofdbestuur der N.O.V. volgens welke zij de uitvoerder van het herstel aan de orgels in Alkmaar en Zwolle, niet zou hebben genoemd. De heer Oussoren begrijpt niet waarop het hoofdbestuur deze opmerking baseert. ,,Wij hebben zeer uitvoerig over de keuze gediscussieerd en zijn na ernstig beraad tot de overtuiging gekomen, dat alleen de Deen Marcussen voor deze restauratie in aanmerking komt".

De adviescommissie heeft haar overwegingen in een rapport aan B. en W. van Haarlem toegezonden. Op 12 december zal de restauratie-opdracht in de gemeenteraad worden behandeld.

Bron: Haarlems Dagblad | 23-11-1956

 

Onzekerheid over orgel Grote Kerk

HAARLEM, 01-12-1956 - Wethouder Geluk wilde nog geen antwoord geven op de vraag die de heren van Velsen (KVP) en Proper (Comm.)hadden gesteld naar aanleiding van de op handen zijnde restauratie van het orgel van de Grote Kerk. Hiervoor zou op 12 december een voorstel in de raad komen en hij vond het met de heer Spek (AR) niet juist op de zaken vooruit te lopen. Wel deelde de wethouder de opvatting van de heer Proper dat de beste restaurateur in de arm zou moeten worden genomen, al zou dit een buitenlander zijn.

Bron: Haarlems Dagblad | 01-12-1956

Opdracht nog niet verstrekt

Wethouder David (Daaf) Geluk

HAARLEM, zaterdag 03-12-1956 - In de Haarlemse gemeenteraadsvergadering op 12 december komen B. en W. met voorstellen over de restauratie van het Müller-orgel in de Grote Kerk en de daarmee te belasten orgelbouwer.

Dit deelde wethouder Geluk vrijdagmiddag mee in de raadsvergadering bij de voortgezette behandeling van de begroting voor 1957. Het raadslid mr. Bettink (VVD) had gevraagd of het juist was. dat de restauratie-opdracht aan een buitenlander, de Deen Marcussen, gegeven zou worden. Hij zou dat onjuist vinden, omdat dergelijke restauraties reeds door Nederlanders op deskundige wijze waren geschied.

Wethouder Geluk wilde met de beantwoording van deze vraag liever niet vooruitlopen op het aanstaande voorstel. Het standpunt omtrent de te benoemen restaurateurs, aldus de wethouder, wordt echter door B. en W, bepaald na uitvoerige besprekingen met deskundigen. Er zal in elk geval naar gestreefd worden de opdracht te geven aan de allerbeste kracht, die te vinden zal zijn. Als zowel in Nederland als in het buitenland een kracht van dezelfde kwaliteit te vinden is, zal ongetwijfeld de Nederlander de voorkeur hebben.

De Telegraaf | 03-12-1956

NOV zendt tweede adres aan de raad

HAARLEM, 06-12-1956 - Het hoofdbestuur van de Nederlandse Organisten Vereniging heeft zich in een tweede adres met betrekking tot de restauratie van het Müllerorgel in de Grote Kerk te Haarlem tot de raad van Haarlem gericht. In dit adres verzoekt het hoofdbestuur de raad met klem in deze zo gewichtige zaak geen beslissing te nemen voordat hij zich „op de breedst mogelijke wijze heeft laten voorlichten”.

Vanmiddag zal het voorstel van B. en W. inzake de aan te wijzen restaurateur aan de raadsleden worden toegezonden. Indien dit voorstel in overeenstemming is met het advies van de speciaal hiertoe gevormde commissie zal de Nederlandse Organisten Vereniging geen nadere stappen ondernemen om restauratie van het Müller-orgel door de Deense orgelbouwer Marcussen tegen te gaan. Er is evenwel een groep organisten, die achter de bezwaren van het hoofdbestuur van de N.0.V. staat en in bovengenoemd geval een telegram zal sturen aan het ministerie. De inhoud van dit telegram is nog niet bekend. De groep organisten wordt onder meer gevormd door dr. Anthon van der Horst, Henny Schouten, Piet Visser en Jacob Bijster.

In het  tweede adres aan de raad wijst het hoofdbestuur van de Nederlandse Organisten Vereniging op ‚,de reacties van verschillende Organisten en orgelbouwdeskundigen, die zich niet met het door de commissie uitgebracht advies ten opzichte van de keuze van de restaurateur kunnen verenigen. De algemene bezorgdheid voor dit in ons land zo belangrijke instrument is naar aanleiding ons ons eerste adres aan uw raad ten zeerste tot uiting gekomen, waarom we dan ook in de gegeven omstandigheden meenden dit advies onder uw aandacht te mogen brengen”, aldus het hoofdbestuur in zijn adres.

Vorige maand maakte het hoofdbestuur van de N.O.V. voor de eerste keer in een adres aan de raad bezwaar tegen advies van de commissie het Müller-orgel te laten restaureren door de Deen Marcussen. Het hoofdbestuur dringt er op aan, dat de restauratie door Nederlandse deskundige wordt verricht. Vrijdag 23 november publiceerden wij de meningen van verscheidene organisten die het Muller-orgel regelmatig bespelen of bespeelden. Deze meningen bleken nogal verdeeld te zijn. Op 12 december zal de restauratie-opdracht in de gemeenteraad worden behandeld.

Verdeeldheid in N.0.V.
Binnen de kring van de Nederlandse Organisten Vereniging heerst overigens geen eensgezindheid. De heer A. H. Edskes‚ redacteur in orgelbouwkundige zaken van het maandblad van de vereniging „Het Orgel” maakt bezwaar tegen beide adressen van het hoofdbestuur. De heer Edskes richt zich nu ook in een adres tot de Haarlemse raad’ Hij is van mening, dat de leden van het hoofdbestuur zich niet voldoende op de hoogte hebben gesteld van de resultaten die de Deense orgelbouwer Marcussen heeft bereikt. ,,Hun informaties zijn beslist onvoldoende geweest” aldus de heer Edskes. Hij is ervan overtuigd dat Marcussen de enige is die voor deze restauratie in aanmerking komt en baseert zijn oordeel op de resultaten van de restauraties in Zwolle en Alkmaar, die hij pertinent onvoldoende vindt.


Bron: Haarlems Dagblad | 06-12-1956

Vooraanstaande musici tegen voorstel van B.en W.

07-12-1956 NAAR aanleiding van het voorstel van B. en W. van Haarlem om de restauratie van het uit 1738 daterende Muller-orgel in de Bavo-kerk op te dragen aan de Deense firma Marcussen, heeft een groep Nederlandse organisten en musici, Willem Andriessen, Jacob Bijster, dr. Anthon van der Horst, Simon C Jansen, E. W. Mulder, Jan Ode, Piet Post, Hennie Schouten en Louis Toebosch, een telegram gezonden aan de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen.

In dit telegram spreken de musici hun verontrusting uit over dit voorstel van B. en W. van Haarlem. In vier punten worden de argumenten samengevat, op grond waarvan de ondertekenaars van het telegram de minister verzoeken maatregelen te nemen om de beslissing tot het verlenen van een opdracht aan de Deense firma te doen uitstellen. Ten eerste is het, aldus de adressanten, een Nederlands cultureel belang dat het orgel in de Bavo-kerk wordt gerestaureerd door een orgelbouwer, die volledig begrip heeft voor het 18e-eeuwse klankkarakter van dit instrument en die bewezen heeft barokorgels van de omvang en de importantie van het Bavo-orgel op in elk opzicht verantwoorde wijze te kunnen restaureren. Ten tweede stellen de adressanten, dat de firma Marcussen nog nimmer een barokorgel heeft gerestaureerd. Daarom zou naar het inzicht van de ondertekenaars het verlenen van een opdracht aan hem gelijk staan met het beschik baar stellen van een van Nederlands kostbaarste cultuurgoederen voor een experiment. Ook al zou de firma Marcussen tot een in technisch opzicht verantwoorde restauratie in staat blijken te zijn, dan nog zou het Haarlemse orgel zeer waarschijnlijk zijn oorspronkelijke klankkarakter geheel verliezen, omdat de Deense firma een geheel eigen klankideaal nastreeft.

Algemeen Handelsblad 07-12-1956

HAARLEM, 7-12-1956 - Thans is het lang verbeide voorstel van B. en W. van Haarlem aan de gemeenteraad verschenen over de voorgenomen restauratie van het Christiaan Muller-orgel in de Grote- of St. Bavokerk. Daartoe wordt een in veertig jaar af te schrijven krediet gevraagd van f 160.000 en de machtiging om een overeenkomst aan te gaan met de firma Marcussen in Aabenraa, die de restauratie, indien het voorstel wordt aanvaard, zal uitvoeren.

Gezien de discussies en polemieken in kringen van organisten en orgelbouwers, gisteren nog maakten wij melding vaneen adres aan de raad door de Nederlandse Organistenvereniging en een telegram aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen door een groep andere organisten. Er is grote belangstelling voor de raadsvergadering van aanstaande woensdag te verwachten. In ons blad van deze week woensdag berichtten wij reeds dat de NCRV fragmenten van de beraadslagingen zal uitzenden.

In de uitvoerige toelichting op hun voorstel gaan B. en W. uiteraard ook in op de adressen die door de Nederlandse Organisten Verenigíng en de heer W. A. Erkelens aan de raad zijn gericht en welke ertoe strekken het gemeentebestuur te bewegen de restauratie-opdracht niet aan de Deense firma, maar aan een Nederlandse firma, in welk verband herhaaldelijk Flentrop in Zaandam is genoemd, te verlenen. B. en W. gaan met een in ambtelijke stukken ongebruikelijke felheid op deze adressen in, welke door het college als „oppervlakkig” en „zwak” worden gekenschetst.

B. en W. herinneren eraan, dat de raad in juni 1955 in beginsel akkoord ging met de voorgenomen restauratie en dat een commissie van deskundigen, bestaande uit de heren: dr, H. L. Oussoren, expert op orgelbouwgebied en organist, lid van de orgelcommissie van de Ned. Hervormde Kerk, Adriaan Engelsz, organist van de Grote Kerk te 's Gravenhage, hoofdleraar aan het Koninklijk Conservatorium aldaar en lid van de voormalige Rijksorgelcommissie: W.Hülsmann, organist van de St. Joriskerk te_ Amersfoort en voordien jarenlang organist van de Grote Kerk te Gouda en George Robert, voormalig organist van het Bavo-orgel, secretaris; heeft in samenwerking met de orgelbouwer W. van Leeuwen Gzn. te Leiderdorp, die het Bavo-orgel in onderhoud heeft als adviserend lid hieromtrent een rapport uitgebracht.

Opdracht
Na grondige bestudering van het werk van verschillende orgelbouwers is de adviescommissie éénparig tot de overtuiging gekomen, dat de orgelbouwer S. Zachariassen, eigenaar van de firma Marcussen & son te Aabenraa in Denemarken, in de klankgeving aanzienlijk verder is dan welke orgelbouwer ook, niet alleen in Nederland, maar zelfs in Europa. Hoewel B. en W. van de deskundigheid van de adviescommissie ten volle zijn overtuigd, hebben zij, ten einde de te nemen beslissing met de meest mogelijke waarborgen te omringen, gemeend ook het advies van enkele buitenlandse deskundigen te moeten inwinnen De gelegenheid deed zich daartoe voor toen in juli 1955 een tweetal buitenlandse deskundigen. de organisten Friedrich Bihn uit Hamburg en Anton Heiller uit Wenen ter gelegenheid van het internationaal orgelconcours in Haarlem vertoefden, die bereid bleken van advies te dienen. Hoewel de beschikbare tijd een diepgaand onderzoek tot in alle onderdelen niet toeliet, kwam het uitgebrachte rapport, voor zover de aard en omvang van de restauratie betreffende, in grote lijnen overeen met dat van de adviescommissie. Ten aanzien van de met de restauratie te belasten orgelbouwer werd, in afwijking van het advies van de commissie in ernstige overweging gegeven na te gaan of niet aan een bepaalde Nederlandse orgelbouwer de opdracht zou kunnen worden toevertrouwd, die door de restauratie van het orgel in de Grote of St. Laurenskerk te Alkmaar „bewezen heeft op de goede weg te zijn”.

Van de kwaliteit van het werk van de firma Marcussen hadden beide heren toen nog geen voldoende kennis kunnen nemen. Een dezer dagen ontvingen B. en W. bericht, dat beide heren ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de firma Marcussen een bezoek aan Denemarken hadden gebracht. De heer Heiller schrijft, dat hij vele orgels van Marcussen bespeelde en zeer sterk en diep onder de indruk van deze instrumenten is gekomen en nu meer dan voorheen overtuigd is, dat Zachariassen, ook ten aanzien van het behouden van een oud klankbeeld, werk van betekenis heeft gepresteerd. Hij is dan ook thans van oordeel, dat voor het in het geding zijnde project Zachariassen de juiste man zal zijn. Ook de orgeldeskundige van het Bundes Denkmal Schutzamt te Wenen, dpl. ir.Egon Kraus. die als één van de beste en meest bereisde orgeldeskundigen van Europa bekend staat en ook het Bavo-orgel grondig kent en van de prestaties van de Nederlandse orgelbouwers op de hoogte is, beveelt Zachariassen met klem aan, omdat ook hij hem verreweg de beste acht.

Na deze omstandige voorlichting hebben B. en W. contact opgenomen met de heer Zachariassen, die in juli j.l‚ naar Haarlem is gekomen voor het instellen van een onderzoek op het Bavo-orgel en het voeren van besprekingen. In een onderhoud met de adviescommissie bleek de heer Zachariassen, niettegenstaande hij met opdrachten is overladen en meer opdrachten reeds moest afwijzen, niettemin bereid de restauratie in zijn werkschema op te nemen.

Pas in 1959
Hij zal evenwel pas in 1959 met de restauratie een aanvang kunnen maken. De duur van het werk schat hij op ongeveer twee jaar. Het kan in gedeelten worden uitgevoerd, zodat het orgel in de kerkdiensten dienst kan blijven doen. De wekelijkse orgelbespelingen zullen gedurende twee jaar niet kunnen worden gegeven. Het improvisatieconcours zal alleen in 1960 geen doorgang kunnen vinden, althans niet op het Bavo-orgel. Het plan van Zachariassen loopt geheel parallel met dat van de adviescommissie, met dit verschil, dat eerstgenoemde adviseert bovendien een borstwerk aan te brengen. Over dit punt zal de adviescommissie zich nog nader beraden en te zijner tijd advies uitbrengen. Voor de uitvoering van het restauratieplan, zonder borstwerk. bedingt de firma Marcussen een prijs van 278.000 Deense Kronen , ongeveer f 152.000; een prijs welke B. en W. alleszinsredelijk achten. Dit bedrag zal nog dienen te worden verhoogd met bijkomende kosten als: timmer- en metselwerk, elektrische installaties en stroomverbruik, het afdekken met zeildoek en elektrische verwarming teneinde het werken gedurende de wintermaanden mogelijk te maken. het afbreken en weder ombouwen van de orgelkamer e.d. Deze kosten zijn te ramen op f 8000. Zodat in totaal f 160.000 benodigd zal zijn.

Rijksbijdrage
Naar aanleiding van een verzoek van B.en W. deelde de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in februari 1955 mede in beginsel bereid te zijn tot financiële medewerking. Gerekend mag worden op een bijdrage van ten minste 30% of in het gunstigste geval op 40%. Ook aan het provinciaal bestuur zal een bijdrage worden gevraagd.

Weerleggingen
Ingaande op het adres der Nederlandse Organisten Vereniging schrijven B. en W. dat dit uitsluitend de mening van het hoofdbestuur weergeeft. Het is B. en W. bekend. dat geen der zes leden van het tegenwoordige hoofdbestuur van de N.O.V. de orgels van Marcussen in Denemarken en Zweden hebben gehoord. ‚,Hoe men dan kan beoordelen dat „deklank van het Deense orgel volkomen anders is dan die van Nederlandse instrumenten”‚ ontgaat ons ten enenmale,” schrijft het college dat vervolgt:

Het gehele adres draagt het kenmerk van oppervlakkigheid, welke er de waarde aan ontneemt. Zo wordt beweerd dat het belangrijkste deel van de Nederlandse organisten niet achter dit advies zou staan. Dit is slechts een veronderstelling, welke door niets wordt gestaafd. Vast staat, dat vele deskundigen op het terrein van de orgelbouw het advies onderschrijven, omdat zij kennis dragen zowel van de prestaties van de Nederlandse orgelbouwers als van de in het geding zijnde Deense orgelbouwer. In dit verband wordt in het adres gesproken van de Nederlandse Organisten, waarbij men uit het oog verliest, dat lang niet iedere organist een deskundige is op het gebied van de orgelbouw, aldus B. en W.

Dat de Nederlandse uitvoerders van de restauratie van de orgels in Alkmaar en Zwolle ‚,ze1fs niet door de adviescommissiezijn genoemd” is onjuist. Hier gaat men weer op veronderstellingen af, daar adressant geen kennis kan dragen van de door de adviescommissie vertrouwelijk uitgebrachte rapporten, zo slaan B. en W. van zich af, die voorts ontkennen dat aan het gunnen van het werk aan een buitenlandse orgelbouwer „enorme kosten" verbonden zijn. Hiervan is echter geen sprake.

Onbekend risico
Op het argument, dat het plaatsen van de opdracht in het buitenland in de huidige gespannen internationale toestand niet zonder risico is, vragen B. en W. op hun beurt:

„Kent men dat risico?” Kan men vooruitzien, dat dit in Aabenraa in Denemarken groter is dan in Haarlem in Nederland? Wanneer het orgel van de Laurenskerk te Rotterdam in de meidagen van 1940 voor restauratie naar Denemarken was overgebracht, dan was het gespaard gebleven! „De gehele argumentatie van het adres, welke uiterst zwak is, wekt sterk de indruk, dat zonder voldoende kennis van zaken, niet de drang naar een in alle delenverantwoorde restauratie van het Haarlemse orgel tot stand te brengen heeft overheerst, doch dat de drijfveer van de opstellers veeleer is geweest coûte que coûte de Nederlandse orgelbouw met de opdracht te belasten. Ook het adres van de heer Erkelens ademt dezelfde geest,”schrijft het college.

Telegram aan minister
In ons blad van donderdag kondigden wij aan, dat een groep Nederlandse Organisten en musici voornemens waren een telegram te zenden aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Het telegram is ondertekend door Willem Andriessen, Jacob Bijster, dr. Anthon van der Horst, Simon C. Jansen, E. W. Mulder, Jan Odé, Piet Post, Hennie Schouten en Louis Toebosch.

In dit telegram spreken de musici hun verontwaardiging uit over het voorstel van B. en W_ van Haarlem om de opdracht aan een Deense firma te geven. Aan de minister wordt gevraagd maatregelen te nemen om de beslissing tot het verlenen van de opdracht te doen uitstellen.

Ook al zou de firma Marcussen, zo betogen de Nederlandse organisten, tot een in technisch opzicht verantwoorde restauratie in staat blijken te zijn, dan nog zou het Haarlemse orgel zeer waarschijnlijk zijn oorspronkelijke klankkarakter geheel verliezen, omdat de Deense firma een geheel eigen klankideaal nastreeft.

Meningen van buitenlanders
In aansluiting op dit telegram heeft de heer Hennie Schouten, leraar aan het Conservatorium te Amsterdam, de minister van Onderwijs een aantal brieven toegezonden, geschreven door de organisten Helmut Walcha (Duitsland), E. Poper Biggs (Amerika) en Finn Viderö (Denemarken).

De bekende Amerikaanse organist Power Biggs spreekt er zijn verwondering over uit dat de keuze van B. en W. van Haarlem is gevallen op een buitenlandse orgelbouwer. Hij betoogt dat de orgelbouwer Flentrop in Amerika als één der leidende figuren in de Europese orgelbouw wordt beschouwd. De Deense organist Viderö stelt evenals Helmut Walcha, dat de firma Marcussen nimmer een barokorgel heeft gerestaureerd, Hij voegt daaraan toe dat de Deense firma de laatste jaren een nieuwe weg op het gebied van de orgelbouw is ingeslagen. die zijns inziens een eindeloos experimenteren betekent en nog niet tot overtuigende resultaten heeft geleid.

Bron: Haarlems Dagblad | 7 december 1956

 

Zal Nederlandse orgelbouw toch nog worden gepasseerd?

HAARLEM - 7 december 1956, In een tweetal artikelen (Handelsblad van 14 en 23 november) hebben wij een en ander uiteengezet omtrent de voorgenomen restauratie van het orgel, dat in de oude Sint -Bavokerk aan de Grote Markt te Haarlem staat en dat de trots uitmaakt van de stad. Wij hebben daarin met klem van argumenten betoogd, dat het voor mensen die de orgelkunst in het algemeen een goed hart toedragen, moeilijk te begrijpen is, dat voor deze restauratie een Deense orgelmaker wordt aanbevolen. De adviescommissie heeft daarvoor blijkbaar haar redenen, die zij wat de technische kant betreft heeft uiteengezet in een rapport dat van december 1954 dateert. In dit twee jaar oude stuk beveelt zij de Deense orgelbouwersfirma Marcussen aan, als de enige aan wie met vertrouwen dit kostbare en zeer belangrijke werk kan worden opgedragen. Wij twijfelen niet aan de bedoelingen van deze Commissie om het Haarlemse orgel zo goed mogelijk te dienen en aan de stad een instrument te hergeven, dat voor lange jaren een eervolle plaats onder de terecht zo beroemde Nederlandse orgels kan gaan innemen. In ons tweede artikel hebben wij geprotesteerd tegen de geringschatting die men van de zijde der commissie heeft getoond voor het werk van de Nederlandse orgelbouw. Wij staan in die mening niet alleen. Het adres, dat de Nederlandse Organistenvereniging aan de Haarlemse Gemeenteraad heeft gericht, spreekt in nog weer andere, zeer praktische argumenten een duidelijke taal.

De grote belangstelling welke wij sedert lang voor dit monumentale instrument hebben gekoesterd en waarvan de lotgevallen ons immer zeer ter harte zijn gegaan, heeft onze aandacht gespannen van het eerste moment af, dat er van een herstel van de gebreken sprake was. Wil men in dit geval spreken van ,,sentiments-overwegingen, soit. Maar een kunst waarin het hart niet meespreekt, heeft zich nimmer kunnen handhaven en mist elk bestaansrecht. Wanneer men echter op negatieve wijze sentimentsoverwegingen tegen zakelijke argumenten wil uitspelen komt in een ander daglicht te staan. Wij wensen daaraan niet mee te doen en zullen ons bepalen bij enkele zakelijke argumenten, ontleend aan de voorgeschiedenis en aan de achtergronden tegen welke deze restauratie geplaatst dient te worden, wil men een juist oordeel kunnen vellen in deze zo uitermate moeilijk gemaakte kwestie.

Een van deze achtergronden, namelijk de  mysterieuze verdwijning van de ministeriële rijkscommissie voor advies voor Kerkorgels, bespraken wij reeds uitvoerig. Haar eliminatie was zeer duidelijk het gevolg van een controverse tussen deze Rijkscommissie en de Synodale Commissie van de Hervormde Kerk die, dit tussen haakjes, niet in katholieke kerken adviseert. Het optreden dezer Synodale Commissie heeft in den lande nogal wat rumoer doen ontstaan, door de zeer eenzijdige oriëntatie inzake orgelbouw, die aan de deskundige leden dezer commissie eigen is. Maar bovenal door het ontactisch optreden en het dictatoriaal uitoefenen van haar autoriteit. Het resultaat van deze ontactische bemoeiingen is geweest, dat in een lange rij van Hervormde gemeenten in Nederland de betrokken kerkvoogdijen bij hun orgelplannen, nóch voor nieuwbouw, nóch voor restauratie, zich door deze commissie willen laten voorlichten.

„NIET NADER TE NOEMEN MOTIEVEN" IN HET SPEL?

Het is deze zelfde commissie, waarvan drie leden zitting hebben in de adviescommissie-Haarlem. Om kennelijk zeer persoonlijke en zeer ambitieus aandoende redenen hebben deze drie leden gemeend, de Deense firma Marcussen de voorkeur te moeten geven voor het verrichten van de restauratie van het Bavo-orgel. Hierin zijn de beide andere leden der Haarlemse commissie meegegaan. Om dit te bereiken heeft de commissie in een door de voorzitter, dr. Oussoren, genoemd „ernstig beraad" er niet onderuit gekund, de Nederlandse orgelbouw op haar restauratie-capaciteiten te onderzoeken, en blijkens het genoemde rapport en het verslag van een in het voorjaar ten stadhuize gehouden vergadering, deze capaciteiten onvoldoende geacht voor dit werk. In een aanhangsel van het rapport is een kostenberekening opgenomen van de hand van de orgelbouwer Van Leeuwen, die het orgel in onderhoud heeft. Hieraan is een garantiebepaling toegevoegd, waaruit blijkt, dat dit niet een kostenberekening zonder meer is geweest, maar een die is opgesteld in het (al dan niet door de orgelbouwer verkeerd aangevoelde, in elk geval begrijpelijke en gewenste) vooruitzicht van een opdracht tot restauratie. Dat een volgend aanhangsel spreekt van overwegingen om aan de orgelbouwer Willem van Leeuwen de vervaardiging van de windladen op te dragen, doet hieraan niets toe of af.

OP de vergadering van 18 februari 1956, waarbij de adviescommissie de Haarlemse organisten De Klerk, Kee, Bolt, Bijster, benevens het bestuur van de Commissie voor de orgelimprovisatiewedstrijden, de heren Koen en Obermayer, had uitgenodigd, en welke vergadering onder leiding stond van de Haarlemse wethouder voor kunstzaken, de heer D. J. A. Geluk, werden de niet-leden van de orgelcommissie in de gelegenheid gesteld hun meningen omtrent de restauratie zelf de keuze van de orgelbouwer en het restauratie-rapport kenbaar te maken. Het verslag deelt dit op summiere wijze mee. Er blijkt uit, dat de heren Bijster en De Klerk het met de opzet van het restauratierapport eens zijn; maar de heer De Klerk meent, dat er over de Nederlandse orgelbouw te kleinerend is gesproken. Hij acht het onbegrijpelijk, dat een met name genoemde Nederlandse orgelbouwer gepasseerd zou worden. De resterende tijd van de vergadering werd besteed aan een bespreking van een rapport van 30 juli 1955, ingediend door de Oostenrijkse organist prof. Anton Heiller en de Hamburgse organist en organoloog Friedrich Bihn. Dit rapport was mede ondertekend door dr. Obermayr. Hierin wordt voor het werk van de Nederlandse orgelbouw grote waardering uitgesproken, en een bijzondere nadruk gelegd op het werk van de met name genoemde Nederlander, die reeds vele grote restauraties met veel succes heeft volbracht.

Beide stadsorganisten tegen opdracht aan buitenlandse firma

Sprekende over de Deense firma zegt dit rapport o.a.: ,,Zweifellos ist Sybrand Zachariassen, der Inhaber der Fa. Marcussen... eine überragend starke Erscheinung unter den zeitgenössischen Orgelbauern... Es ist daher die Frage, ob man eine so ausgesprochene und mit Recht — im besten Sinne des Wortes — auch eigenwillige Persönldchkeit wie Zachariassen mit einer Restauration belasten darf, die ein auszergewöhnlich groszes Einfühlungsvermogen in eine andere Klangwelt erfordert, weil die Grundidee das Werkes von Christian Müller und ihnes echten Zachariassen-Werkes völlig vorschieden ist. Wir geben ernstlich zu bedenken, ob nicht ein Orgelbauer wie Flentrop, der durch die Restauration der Orgel in Alkmaar und die (in de tijd dat dit rapport werd opgesteld, P.V.) zum Teil bereits fertige Wiederherstellung der Orgel in Zwolle den Beweds erbracht hat, das er das nötige Einfühlungsvermögen und Können in der technischen Wiederherstellung und der klanglichen Gestaltung besitzt, mit dieser groszen Aufgabe betraut werden kann."
Dr. Oussoren, die dit rapport van Bihn en Heiller uitvoerig kritiseerde en in het technische gedeelte inderdaad een aantal steekhoudende argumenten tegen dit rapport aanvoerde, was in zijn argumentatie betreffende de keuze van de orgelbouwer minder zakelijk, wijzigde de strekking van de woorden door juist die lichte fluctuaties, die men in de politiek „debaters-handigheid" noemt en die tijdens het uitspreken zeker kunnen imponeren, maar bij nadere overwegingen hun kracht missen. Aan het slot van het verslag deelt de verslaggever mede, dat na korte opmerkingen van de heren Bolt en De Klerk „de andere aanwezigen geen gebruik maken van de geboden gelegenheid" (na drie uur vergaderen! P. V.) „hun mening kenbaar te maken". Op grond van deze rapporten en besprekingen en gesteund door hierin niet genoemde overwegingen, heeft de commissie een advies bij B. en W. ingediend, waarin wordt aanbevolen het door de commissie opgestelde plan èn de daaraan inherente keuze van de orgelbouwer. i.c. de Deense firma Marcussen en Zn., aan het oordeel van de gemeenteraad te onderwerpen.

IN grote gemeenten plegen burgmeester en wethouders de voorbereiding van voordrachten aan de gemeenteraad te doen geschieden in samenwerking met een Commissie van Bijstand, waarin zo nodig naast leden van de raad ook enkele deskundigen zitting kunnen hebben. Drie jaar geleden is besloten, zoals blijkt uit de dagbladen van 24 november 1953, het orgel te doen restaureren. Niet eerder dan ongeveer één maand geleden is deze Commissie van Bijstand naar haar mening over deze ingrijpende en kostbare restauratie gevraagd, maar toch wel op een zéér ongewone manier. Zij kreeg nl. het verzoek om B en W. in deze zaak schriftelijk van advies te dienen. Mondeling overleg van de commissieleden onderling heeft niet plaats gevonden. De mening van het ene, en inzake orgels enige, deskundige lid der Commissie van Bijstand, de heer Albert de Klerk, was ten stadhuize voldoende bekend: Hij is een tegenstander van de opdracht aan de Deense orgelbouwer. De drie andere leden hebben, naar ons werd medegedeeld, verklaard, zich in deze ingewikkelde kwestie niet competent te achten en verwezen daarom naar het advies van de orgelcommissie. De vorig jaar aangestelde stadsorganist Piet Kee naar ons bekend eveneens tegenstander van het verlenen van de opdracht aan Marcussen, is pas zéér onlangs met de plannen en wijzigingen van het orgel dat hij in de Bavo bespeelt, op de hoogde gesteld. Blijkens een verklaring in het Haarlems Dagblad is deze stadsorganist van mening, dat, waar „drie leden van de adviescommissie lid zijn van de Hervormde orgelcommissie, die samenwerking met de restaurateur van de orgels in Alkmaar en Zwolle om niet nader te noemen motieven uitsluit", hem niet anders rest, dan de hoop uit te spreken, „dat er een rechtvaardige beslissing zou worden genomen."

HET zijn juist deze „niet nader noembare motieven", die de zaak van het Haarlemse orgel zo heel erg vertroebelen. Velen hebben zich afgevraagd wat achter deze geheimzinnigdoenerij kan schuilen. De Nieuwe Haagse Courant van 28 november vraagt om een kort uitstel van de beslissing van de gemeenteraad en motiveert dit aldus: „De strijd in de orgelwereld... schijnt nog niet voorbij te zijn en met name de Hervormde Orgelcommissie neemt nog steeds een zeer geprononceerd standpunt in. In al te grote subjectiviteit bepaalt zij wat er in de kerk zal zijn en ze schrijft daarbij ook de firma's voor, speciaal ook de firma van Vulpen in Utrecht, welke firma enkele jaren geleden nog een loodgietersbedrijf was, doch door de heer Erné gepromoveerd is tot de orgelbouwer, die (een uitspraak van Lambért Erné) „het klankideaal van de orgelcommissie het meest benadert".

Elders citeert het blad een artikel van de orgelexpert Beth in Musik und Kirche, waarin wij lezen, dat de Deense orgelbouw een bedenkelijke neergang vertoont en waarin kritiek wordt geleverd op enkele orgels van Marcussen in Kopenhagen. „Dat zal", schrijft het Haagse Blad, „de Haarlemse gemeenteraad niet zijn verteld." De internationale bekendheid van onze Nederlandse orgelbouw, met name het werk van Flentrop, blijkt wel uit de opdracht tot de bouw van een vierklaviersorgel in Landskrona (Zweden), waarbij het betrokken kerkbestuur werd geadviseerd door een organist, die elders... een Marcussenorgel bespeelt. Ook werd Flentrop gevraagd behalve orgels in Amerika en Zweden, ook voor Duitsland een orgel te bouwen. Tevens moet deze Nederlandse orgelbouwer advies geven bij de restauratie van het. kathedraalorgel te Mechelen, en is hij medeadviseur geweest bij de bouw van het orgel in de Royal Festival Hall te Londen.

De internationale tegenzin in het plan van de adviescommissie om de Deense firma deze opdracht te verlenen, werd nog eens duidelijk onderstreept in een drietal brieven, waarin een uitvoerige en zeer hoge waardering voor de huidige Nederlandse orgelbouw werd uitgesproken. De eerste is van de Deense organist Finn Viderö, die in de Kopenhaagse Triniteitskerk een Marcussen-orgel bespeelt waarover hij verre van tevreden is. Viderö, die jurylid was bij het laatste Haarlemse Orgelconcours, zegt te weten, dat de firma Marcussen nog nooit („nie") een barokorgel gerestaureerd heeft, ..und", gaat hij voort, „ich hege einen starken und berechtigten Zweifel daran, ob die dazu imstande sein wird, weil ihre jetztigen Baunrinzipien einen ganz andersartigen Klang erstreben". Aan een brief van Helmut Walcha uit Frankfurt, eveneens lid in de jury te Haarlem, ontlenen wij: „Holland hat einen ausgezeichneten Orgelbauer, der sich durch die Restaurationsarbeiten an historischen Orgeln einen Namen gemacht, in zwar nicht nur in Holland selbst, sondern weit über die Grenzen dieses Landes hinaus." De Amerikaanse organist E. Power-Biggs, die de laatste jaren zijn zomers geregeld doorbrengt op de oude Europese orgels en er enthousiast in de Amerikaanse vakbladen over schrijft, laat zich als volgt uit: „With the proud heritage of Dutch organ building a tradition surely unequalled anywhere else in Europe, is does indeed seem strange that any church authorities would look outside the country for restauration work... I feel quite strongly that the restauration of the organ at Haarlem should be given to Flentrop. The restauration would be carried through with responsibility and complete artistic authority...".

Deze citaten spreken, dunkt ons, voor zichzelf. Zoveel is wel zeker, dat persoonlijke ambities en kennelijk gestimuleerde eerzucht de achtergrond voor deze restauratie hebben verduisterd en dat de autoriteit van de Synodale Orgelcommissie van de Nederlandse Hervormde Kerk een helder licht in deze niet bijster prettige affaire in de weg staat. PIET VISSER

Algemeen Handelsblad 07-12-1956

Orgeldebat in Haarlem

HAARLEM, 08-12-1956 - B. en W. van Haarlem hebben de NCRV toestemming verleend woensdag microfoons op te stellen in de raadszaal waarin dan tijdens de zitting zal worden beslist of de restauratie van het beroemde orgel in de oude St.-Bavo zal worden opgedragen aan de Deense orgelbouwer Marcussen of aan een Nederlandse orgelspecialist. Zoals men weet hebben de plannen om het werk aan een Deen op te dragen nogal stof doen opwaaien. Aangezien de NCRV in de organisatie van het jaarlijkse internationale orgelconcours in de St.-Bavo is betrokken, ligt het voor de hand dat de restauratie van dit befaamde instrument deze omroepvereniging zeer ter harte gaat.

Bron: De Tijd | 08-12-1956

B. & W. houden het poot stijf

De raadzaal van Haarlem


Onenigheid over restauratie van orgel in de St. Bavo te Haarlem
Actie tegen opdracht aan Deense firma

HAARLEM, 08-12-1956 - In de raadzaal van Haarlems vroede vaderen zullen tijdens de zitting van 12 december de microfoons van de radio staan opgesteld. Want in die zitting zal een belangrijke ronde plaats vinden van de heftige slag, die sinds enige tijd in nationale en internationale orgelkring geleverd wordt om de restauratie van het beroemde orgel van de St. Bavokerk.

Het Haarlemse orgel moet hoognodig gerestaureerd worden, niet in het minst door de minder geslaagde pogingen in die richting in vroeger jaren. Het rumoer in orgelkringen, dat inmiddels ook tot de Nederlandse pers is doorgedrongen, is ontstaan over de vraag wie het instrument moet restaureren. In het ene kamp wil men de Deense orgelbouwer Zachariassen, directeur van de firma Marcussen te Aabenraa, de opdracht verstrekken, in het andere staat men erop, dat het werk per sé in handen van een Nederlandse orgelbouwer wordt gesteld. B. en W. van Haarlem hebben intussen voor de raadsvergadering van 12 december een voorstel ingediend, waarin zij machtiging vragen tot het aangaan van een overeenkomst met de Deense firma. Voor dit doel wordt een krediet gevraagd van f 160.000.—, te weten een aanneemsom van de firma Marcussen van f 152.000.— en bijkomende kosten van f 8000.—."

Adres van N.O.V.
Reeds vóór bekendmaking van het voorstel had de Nederlandse Organisten Vereniging aan de raad een adres gezonden, waarin wordt bepleit de restauratie niet aan de firma Marcussen, doch aan een Nederlandse orgelbouwer op te dragen. Volgens dit adres heeft deze firma nog nimmer de restauratie van een oud instrument uitgevoerd, is de klanksfeer van het Deense orgel volkomen anders dan die van het Nederlandse.

B. en W. brengen hiertegen in, dat het adres niet namens en zelfs niet met voorkennis van de leden der N.O.V. werd verzonden, doch uitsluitend de mening van het hoofdbestuur weergeeft. Geen van de leden van dit bestuur heeft de orgels van Marcussen in Denemarken en Zweden gehoord, zo betogen B. en W. Zij stellen in dit verband de vraag hoe het hoofdbestuur dan kan zeggen, dat de klank van deze orgels volkomen anders is dan die van Nederlandse instrumenten.

Het adres draagt naar het oordeel van B. en W. het kenmerk van oppervlakkigheid, welke er de waarde aan ontneemt. De argumentatie van het hoofdbestuur van de N.O.V. wekt, volgens B. en VV., sterk de indruk, dat het hoofdbestuur zonder voldoende kennis van zaken, niet het verlangen naar een in alle delen verantwoorde restauratie van het Haarlemse orgel heeft laten overheersen, doch zich heeft laten leiden door de overweging, dat kost wat kost een Nederlandse orgelbouwer met de opdracht moet worden belast.

In de toelichting op het voorstel maken B. en W. van Haarlem melding van een op hun verzoek door de musici dr. H. L. Oussoren, Adriaan Engels, Willem Hülsmann, George Robert en de orgelbouwer W. van Leeuwen uitgebracht rapport, waarin wordt gesteld, dat het orgel vrijwel geheel in de oorspronkelijke dispositie van 1738 dient te worden teruggebracht.

Eenparig is deze adviescommissie van oordeel, dat de orgelbouwer Zachariassen van dc firma Marcussen in Denemarken degene is, die in dc praktijk heeft bewezen het verst in klankgeving te zijn gevorderd. Hij kan in staat worden geacht het oorspronkelijke klankbeeld van het Bavo-orgel te herstellen.

Contra-adres uit Groningen
De Groninger organist C. H. Edskes, redacteur voor orgelbouw van het maandblad Het Orgel, officieel orgaan van de Nederlandse Organisten Vereniging, welke vereniging als gemeld het adres tegen een Marcussen-orgel aan de Haarlemse raad had gezonden, heeft donderdag aan genoemde raad een contra-adres gezonden, waarin hij erop wijst, dat het bestuur van de N.O.V. niet volledig is, daar nog steeds niet in de vacature van het voorzitterschap is voorzien. De heer Edskes tekent daarbij aan, dat de zojuist afgetreden voorzitter, de heer Georg Stam, „na in samenwerking met de in het adres van de N.O.V. zo aanbevolen Nederlandse orgelmaker (fa. Flentrop te Zaandam, red.) onder andere bij de restauratie van het orgel te Zwolle mede door een bezoek aan Deense orgels, te Rotterdam voor de St. Laurenskerk heeft geadviseerd tot de bouw van een nieuw Marcussenorgel".


Een van de ernstigste bedenkingen, die de heer Edskes heeft tegen de opstellers van het gewraakte adres aan de Haarlemmer raad is het feit, dat deze mensen, naast hun gebrek aan kennis van het Deense orgel, ook niet op de hoogte zijn van de kwaliteiten van het oude Noordduitse orgeltype, dat vooral ook in de provincie Groningen sterk vertegenwoordigd is (de orgels van de school van Schnitger). Dit orgeltype is van het grootste belang bij de bepaling van het karakter van het Haarlemse orgel. En de firma Marcussen heeft zich juist laten leiden door het klankideaal van de Noordduitse orgels, zoals die van Schnitger, Compenius en Scherer, zegt de Groninger organist.

Nieuwsblad van het Noorden | 08-12-1956

„Chauvinisme mag keuze van de orgelbouwer niet beïnvloeden”

HAARLEM, 08-12-1956 - Het adres van het hoofdbestuur van de Nederlandse Organistenvereniging over de door B en W van Haarlem voorgestelde restauratie van het orgel in de Grote Kerk door de Deense firma Marcussen heeft een weerwoord uitgelokt van een redacteur van het officieel orgaan „Het orgel" van die vereniging, de heer C. H. Edskes uit Groningen.

De heer Edskes merkt op, dat het bestuur van de N.O.V tijdens de samenstelling van zijn adres niet voltallig was, omdat de voorzittersplaats vacant is. Het morele belang van dit feit moet niet worden onderschat, omdat de afgetreden voorzitter George Stam, na een samenwerking met de in het adres van de Organistenvereniging zo aanbevolen Nederlandse orgelmaker mede op grond van een bezoek aan Deense orgels, te Rotterdam voor de bouw van een nieuw orgel in de St Laurens heeft geadviseerd zich tot Marcussen te wenden.

 De heer Edskes vindt het voorts opmerkelijk dat de N.O.V. die altijd heeft gezwegen toen de verminking van historische orgels a priori vast stond, thans in het geweer is gekomen, waarbij het hoofdbestuur, noch de leden, noch de redacteur voor orgelbouw van het officieel orgaan zijn geraadpleegd. Voorts vindt de heer Edskes het feit dat een orgelbouwer vele instrumenten heeft gerestaureerd, niet zo belangrijk als de daarbij verkregen resultaten. ‘Het is mogelijk een aantal orgelmakers te noemen. die verschillende restauraties van orgels van gelijke betekenis als het, Haarlemse op hun naam hebben staan, doch aan wie niemand nog een opdracht zou durven verstrekken. Bovendien is het juist voor restauraties van doorslaggevende betekenis dat de orgelbouwer presteert bij de bouw van nieuwe instrumenten. En het is slechts weinigen gegeven ,,het edele zingen" ook bij nieuwe orgelpijpen te verwerkelijken. Wil een orgelmaker aan alle eisen voldoen, dan dient hij de pijpen tot in alle onderdelen in eigen werkplaatsen te vervaardigen en niet een of meer fasen van dit proces aan derden over te laten.

De door de Haarlemse adviescommissie aanbevolen Deense orgelmaker bezit deze vakbekwaamheid en ervaring in hoge mate. Het is zonder meer duidelijk dat een firma, die onlangs haar honderdvijftigjarig bestaan vierde en die reeds grote bekendheid heeft genoten, over oneindig meer ervaring moet beschikken dan welke jongere Nederlandse firma ook, zo schrijft de heer Edskes, die vervolgt: ,,Het is deze orgelmaker in de loop van de tijd gelukt om vrijwel alle geheimen van oude orgelbouw te ontsluieren".  De heer Edskes citeert ter illustratie van zijn betoog uitlatingen van Friedrich Bihn en betwijfelt of inzonderheid bij de orgels te Alkmaar en Zwolle door de Organistenvereniging als voorbeelden van geslaagde Nederlandse orgelrestauraties aangevoerd wel zo'n goed resultaat werd bereikt. Hij vindt trouwens dat men in Alkmaar beter van revisie dan van restauratie kan spreken.  In Zwolle is de klank beslist onbevredigend, waartoe de schrijver de Deense organist Finn Viderö citeert: ,‚Ik was in Zwolle om het grote orgel te bekijken. Maar wat een teleurstelling. De oude klank was geheel verloren gegaan!” En een Duits organist schreef over het eveneens door de betrokken Nederlandse orgelbouwer gerestaureerde orgel van Bolsward: ,,Ik kan slechts zeggen, dat dit werk niet in de verste verte met dat van Marcussen kan worden vergeleken. Eens zullen velen dat erkennen, maar dan zal het voor tal van orgels te laat zijn".

Al deze brieven liggen bij de heer Edskes ter inzage. De adressant herhaalt dat de leden van het hoofdbestuur van de N.O.V. slecht georiënteerd zijn omtrent de orgels van Marcussen, in tegenstelling tot de Haarlemse adviescommissie. Evenals B. en W. in hun toelichting verwerpt ook de heer Edskes het argument van het risico, dat volgens hem tot een minimum beperkt kan worden. Argumenten van financiële aard mogen bij werken als het onderhavige natuurlijk geen rol spelen. Doet men dit wel, dan geeft men blijk de juiste instelling ten opzichte van restauraties te ontberen.

Bron: Haarlems Dagblad | 08-12-1956

Protest tegen restauratie van Bavo-orgel door Denen

Groep musici zendt telegram aan de minister van 0., K. en W.

HAARLEM, 08-12-1956 - Naar aanleiding van het voorstel van B. en W. van Haarlem om de restauratie van het uit 1738 daterende Müllerorgel in de Bavo-kerk op te dragen aan de Deense firma Marcussen, heeft een groep Nederlandse organisten en musici — Willem Andriessen, Jacob Büster, dr. Anthon van der Horst, Simon C. Jansen, E. W. Mulder, Jan Ode, Piet Post, Hennie Schouten en Louis Toebosch — een telegram gezonden aan de minister van 0., K. en W. In dit telegram spreken de musici hun verontrusting uit over het voorstel van B. en W.

In enkele punten worden de argumenten samengevat, op grond waarvan de ondertekenaars van het telegram de minister verzoeken maatregelen te nemen om de beslissing tot het verlenen van een opdracht aan de Deense firma te doen uitstellen.
Ten eerste is het, aldus de Nederlandse organisten, een Nederlands cultureel belang dat het orgel in de Bavokerk wordt gerestaureerd door een orgelbouwer, die volledig begrip heeft voor het 18e eeuwse klankkarakter van dit instrument en die bewezen heeft barokorgels van de omvang en de importantie van het Bavo-orgel op in elk opzicht verantwoorde wijze te kunnen restaureren.
Ten tweede stellen de organisten in hun telegram dat de firma Marcussen nog nooit een barokorgel heeft gerestaureerd. Daarom zou naar het inzicht van de ondertekenaars het verlenen van een opdracht aan hem gelijk staan met het beschikbaar stellen van een van Nederlands kostbaarste cultuurgoederen voor een experiment.
Ten derde, ook al zou de firma Marcussen, zo betogen de Nederlandse organisten, tot een in technisch opzicht verantwoorde restauratie in staat blijken te zijn, dan nog zou het Haarlemse orgel zeer waarschijnlijk zijn oorspronkelijke klankkarakter verliezen, omdat de Deense firma een geheel eigen klankideaal nastreeft.

In aansluiting aan dit telegram heeft de heer Hennie Schouten, leraar aan het Conservatorium te Amsterdam, de minister van 0., K. en W. een aantai brieven toegezonden, geschreven door de organisten Helmut Walcha (Duitsland), E. Power Biggs (Amerika) en Finn Viderö (Denemarken). Deze drie musici menen dat de opdracht tot restauratie niet aan de Deense firma moet worden gegeven.

Helmut Walcha schrijft dat hem er niets van bekend is dat Marcussen reeds een historisch orgel heeft gerestaureerd. Hij herinnert aan de restauraties van de instrumenten in de Laurenskerk te Alkmaar on de Michaelskerk te Zwolle, beide door de Nederlandse firma Flentrop uitgevoerd. De Amerikaanse organist Power Biggs spreekt er zijn verwondering over uit dat de keuze van B. en W. van Haarlem is gevallen op een buitenlandse orgelbouwer. Hij betoogt dat de orgelbouwer Flentrop in Amerika, als een der leidende figuren in de Europese orgelbouw wordt beschouwd.

De Deense organist Viderö stelt evenals Helmut Walcha, dat de firma Marcussen nimmer een barokorgel heeft gerestaureerd. Hij voegt daaraan toe dat de Deense firma de laatste jaren een nieuwe weg op het gebied van de orgelbouw is ingeslagen, die z.i. een eindeloos experimenteren betekent en nog niet tot overtuigende resultaten heeft geleid.



De Tijd | 08-12-1956


Orgeldeskundige is het eens met Haarlemse raad

De Groningse orgeldeskundige Cor Edskes

Restauratie Bavo-orgel 

GRONINGEN, 10-12-1956 - De Groningse orgeldeskundige Cor Edskes, redacteur voor orgelbouw van het maandblad van de Nederlandse organistenvereniging, heeft aan de gemeenteraad van Haarlem een tegenadres gericht, waarin hij zich stelt tegenover het adres, dat enkele weken geleden door het hoofdbestuur van de Nederlandse Organistenvereniging aan de Haarlemse raad werd gezonden.

Hij protesteert tegen het standpunt van het hoofdbestuur inzake de restauratie van het orgel van de St.-Bavokerk en betoogt „dat dit bestuur zich niet met de nodige objectieve zin op de hoogte heeft gesteld van de produkten van de Deense orgelbouwer Marcussen". Zoals bekend heeft de Haarlemse gemeenteraad enige dagen geleden aan de raad een voorstel gedaan om deze firma te belasten met de restauratie van het orgel in de St.-Bavokerk. De heer Edskes zegt voorts, „dat de Haarlemse adviescommissie zich in de meest uitgebreide zin heeft georiënteerd en op grond daarvan Marcussen heeft aanbevolen".

Bron: De Tijd |10-12-1956

Kleinere goden met beperkter blik

Het Bavo-orgel

12-12-1956 - Er is enige deining ontstaan inzake plannen tot restauratie van het Bavo-orgel in Haarlem. De adviescommissie van B. en W. van Haarlem, bestaande uit Adriaan Engels, Willem Hülsmann, dr. H L. Oussoren en organist George Robert, heeft de Deense firma Marcussen & Son aanbevolen. Kleinere goden met beperkter blik hebben een Nederlandse orgelmaker naar voren geschoven en zijn bezig de publieke opinie en de gezindheid van de raad van Haarlem in te nemen tegen het advies van de officiële commissie. Ieder echter, die het werk van de Deen kent uit eigen waarneming, weet, dat hij de primus inter pares is Haarlem is, gelukkig, op de goede weg. Moge dat zo blijven.

Arnhem, M. Geerink Bakker

Bron: De Telegraaf | 12-12-1956

HAARLEM, 13-12-1956 -De Haarlemse gemeenteraad heeft woensdagmiddag onder grote belangstelling met 33 tegen 4 stemmen na een debat van tweeëneenhalf uur op hoog peil, de acht microfoons van de N.C.R.V. werkten blijkbaar stimulerend, besloten over te gaan tot de restauratie van het orgel van Christiaan Müller in de Crote of St. Bavokerk. De opdracht daartoe zal, conform de voordracht van Burgemeester en Wethouders en het advies van een commissie van bij uitstek deskundigen, verstrekt worden aan de Deense firma Marcussen te Aabenraa. Met het herstel, waarmee pas in 1959 kan worden begonnen en dat ongeveer twee jaar zal duren, is een bedrag van f 160.000 gemoeid.

Bovenal echter betekende de gedachtewisseling van gisteren een bevestiging van het gezag van de geraadpleegde adviescommissie en een afrekening met een al te subjectieve campagne - ter elfder ure waren nog een paar adressen binnengekomen - ten bate van een bepaalde Nederlandse orgelbouwer. Men kan dan ook slechts instemmen met de door het raadslid Spek (AR) aan het slot van zijn betoog vertolkte hoop, dat het aannemen van dit voorstel, waarvan men de grote betekenis voor de orgelcultuur in het algemeen en voor Haarlem als orgelstad in het bijzonder, straks bekroond zal worden door een algemene waardering, ook van hen die hier nu kritisch tegenover staan.

De eerste die de registers, zo niet van het orgel dan toch van de welsprekendheid‚ open trok, was de heer Voogd (Arbeid). Deze ging eerst in op de bevoegdheden en beperkingen van de raad als politiek college met betrekking tot een zo technische en esthetische materie als de onderhavige. De raad kan immers niet anders doen dan de overtuigingskracht, de betrouwbaarheid en de degelijkheid van de gegeven adviezen van deskundigen tegen elkaar af te wegen.

Een tweede, niet uitdrukkelijk gestelde vraag ging over het verlenen van de opdracht: per se een Nederlander of niet? Overwegingen van chauvinistische aard mogen hierbij niet in het geding zijn en ook hier dient de raad het van de adviezen der deskundigen te hebben. Echter, de ene bij uitstek deskundige staat tegenover de andere bij uitstek deskundige en men ziet ook nog wel eens bij uitstek deskundigen van mening veranderen, zo zei de heer Voogd, die de gevoelens der leken-raadsleden in deze ingewikkelde zaak vertolkte met de woorden van Goethe: ‚‚Da steh’ ich nun, ich armer Tor, und bin so klug als wie zuvor.”

In die situatie verenigde hij zich echter geheel met onze beschouwing in ons blad van zaterdag, B. en W. hebben met toestemming van de raad een adviescommissie ingesteld en er moeten wel heel sterke argumenten tegen de integriteit of de deskundigheid van die commissie worden ingebracht, wil de raad van het gegeven advies afwijken.

Toch wilde de heer Voogd wel antwoord hebben op een viertal vragen:
- Is het juist, dat de adviescommissie wat eenzijdig was samengesteld?
- Is het van betekenis, dat de firma Marcussen nog nimmer een barokorgel heeft gerestaureerd?
- Is er met die firma een overeenkomst bereikt om te voorkomen, dat de orgelbouwer Zachariassen een te sterk eigen stempel op het karakter van het orgel drukt? en tenslotte:
- Is het juist, dat de orgelbouwer Van Leeuwen het advies van de commissie niet onderschrijft?

Hartstochten
Het standpunt van de heer Voogd ten aanzien van de deskundigen- of belanghebbendenpolemiek (want ook hij wees erop, dat de zaak vertroebeld werd omdat altijd maar één Nederlandse orgelbouwer werd genoemd) werd door alle voorstanders van het voorstel van B. en W. gedeeld en met name door mevrouw Scheltema-Conradi (VVD), die nooit had gedacht ,‚dat een instrument als het kerkorgel de hartstochten zo had kunnen doen oplaaien.”

Zij vond het vooral eigenaardig, dat niemand tegen de „eenzijdige samenstelling” van de commissie bezwaar had gemaakt, toen deze werd benoemd. Zij vond het evenmin raadzaam van het advies van een commissie af te wijken als van het oordeel van een jury, men ontneemt dan aan de commissie de vrijheid van oordeel. Voorts vond zij het apert onjuist beweegredenen in het geding te brengen welke niet ontleend zijn aan de zaak waar het om gaat. Alle scherpe woorden die gebruikt zijn vond mevrouw Scheltema nog niet voldoende argument om de commissie te desavoueren. Wellicht zou het echter in het vervolg beter zijn commissies van een dergelijk gewicht door de raad op voordracht van B. en W. te laten benoemen.
Voorts verdient het volgens spreekster aanbeveling de beide stadsorganisten in het restauratiewerk te betrekken.

Moeilijkheden niet zo groot
De heer Spek (AR) wilde door en over de lawine van protesten en bezwaren heen zien: de moeilijkheden zijn heus niet zo groot als ze wel schijnen. We hebben immers te maken met deskundigen van goede reputatie, wier uitvoerig en breed rapport onderschreven wordt door tal van nationale en internationale gezaghebbende figuren. Ook bij een bespreking van het rapport met anderen bleek dat tenslotte alleen de opmerking overbleef dat het teleurstellend zou zijn als de opdracht naar het buitenland zou gaan. Ook de heer Spek wees op de eenzijdigheid van de actie ten gunste van de Nederlandse orgelbouwer die in casu maar voor één firma wordt gevoerd.

Spreker betwijfelde of deze discussie nu wel zo in het voordeel van deze firma is, want als tegenargumenten komen natuurlijk nu ook de onvolkomenheden van haar werk in het geding.

De heer Spek citeerde voorts de zienswijzen van een aantal experts als de heer Edskes, redacteur van het maandblad „Het Orgel”, van de juist ook tot adviseur van de Spaanse regering benoemde dr Egon Krauss uit Oostenrijk en Anton Nowakowski uit Stuttgart. De Deen Finn Viderö had ook grote bezwaren tegen het door de bedoelde Nederlandse firma gerestaureerde orgel van Zwolle. Zelfs tegenstanders moeten erkennen dat Marcussen tot de beste, zo niet tot de allerbeste orgelbouwers van Europa behoort. Over de commissie zei de heer Spek nog: Haar leden zullen zich wel hebben gerealiseerd dat het rapport aan kritiek zou worden bloot gesteld. Dat zij het niettemin hebben uitgebracht pleit voor de overtuiging waarmede zij hun opdracht hebben vervuld. ,,Ik heb daar een groot respect voor.”

Uit de krijgsklas
Ook de heer Proper (CPN) distantieerde zich nadrukkelijk van „chauvinistische” beweegredenen bij de keuze van een orgelbouwer. De Haarlemmers van 1738 zagen er immers ook geen been in om de orgelbouwer Müller uit de Harz te kiezen. Zij hadden er zelfs bijna zestigduizend florijnen voor over, waarvan een deel aan de krijgskas van de plaatselijke schutterij werd onttrokken. (hilariteit).

Spreker wilde zich evenwel niet zonder meer neerleggen bij het oordeel van deskundigen, maar de zaak zelfstandig bezien. Overigens heeft de adviescommissie op haar beurt andere deskundigen geraadpleegd en ook hun oordeel valt ten gunste van Marcussen uit. De heer Proper vroeg zich echter af waarom de reparatie van de windladen ook aan Marcussen wordt opgedragen, hoewel in het rapport gezegd wordt dat dit wel door een Nederlandse firma kan worden gedaan. Voorts had het de verwondering van de heer Proper gaande gemaakt, dat het orgel op de Monumentenlijst in klasse B is ingedeeld, hetgeen tot gevolg heeft, dat het rijk niet veertig, maar dertig procent subsidieert.
Wethouder Geluk zegde in zijn antwoord toe, dat gepoogd zal worden het orgel in klasse A in te delen.

De heer De Landmeter(CBU) ging, evenals vorige sprekers, in op de kern van het probleem, het terugvinden van de oude klank: ‚,Maar niemand weet hoe die klankgeving was.” De Nederlandse orgelbouw is weliswaar op de goede weg maar de belangrijkste vertegenwoordiger daarvan verklaart zelf van de prestaties van Marcussen: ‚,Ik acht mij niet in staat de komende vijfentwintig jaar iets dergelijks te bereiken.” Onder die omstandigheden kan men het de gemeenteraad van Haarlem niet kwalijk nemen, dat hij nu Marcussen kiest, die dat ideaal reeds heeft bereikt.

Tweespalt
Bij de KVP bleek men weer eens verdeeld. De heer Van Velsen liet zich namelijk, wat betreft de keuze van de restaurateur, leiden door de vrees voor de volgens hem te sterke persoonlijkheid van de directeur van Marcussen, de orgelbouwer Zachariassen. Volgens hem zou een restauratie van de Grote Kerk ook nu moeten worden opgedragen aan een Le Corbusier, een Dudok of een Oud. De vakman en de kunstenaar zullen zich ondergeschikt moeten maken aan de ideeën van vroegere kunstenaars. Bovendien bleek de heer Van Velsen onder de indruk van de „internationale tegenzin” tegen het voorstel en omdat hij het risico te groot achtte vroeg spreker het college niet alleen bij voorstanders te rade te gaan. Mede uit een oogpunt van steun aan de Nederlandse orgelbouw vroeg de heer Van Velsen daarom het voorstel aan te houden voor het inwinnen van nadere adviezen.

Onstuimig
Daarentegen bleek zijn fractiegenoot Schreurs uitbundig in zijn lof voor het college, dat hij zo breed gebarend dankte voor het dossier, dat de microfoon erdoor omtuimelde. De heer Schreurs is beslist meer gedisponeerd voor televisie.

Toch betreurde spreker het, dat de commissie niet wat breder van samenstelling was geweest. Had men ook niet een rooms-katholieke deskundige kunnen vinden? Maar de heer Schreurs zag onmiddellijk daarop in, dat de rooms-katholieke orgelkunst meer is geënt op Frankrijk, terwijl het hier om een Duits orgel gaat. Ten aanzien van de keuze van de orgelbouwer zei de heer Schreurs: „Niet de vraag of hij al eerder een barokorgel heeft gerestaureerd, maar of hij primus inter pares is, dient beslissend te zijn. Hij vond het trouwens een waarborg dat het bestek uit 1766 nog bestaat, maar „leg de grote kunstenaar vast aan een degelijke overeenkomst", zo bond hij B. en W nog eens extra op het hart in een betoog, dat hier en daar net iets teveel bruyant was om briljant te zijn.

Gelukkig maar twee
Wethouder D. J. A. Geluk begon zijn beantwoording met de opmerking dat hij zich de laatste week gelukkig had geprezen dat de gemeente maar twee orgels bezit en dat die niet elke dag gerestaureerd behoeven te worden. Alleen al vanwege de lawine van brieven, adressen, telefoontjes en telegrammen, beschuldigingen en zelfs verdachtmakingen verzocht hij degenen die om uitstel hadden gevraagd: .‚Doet u mij dat niet langer aan!”

Wethouder Geluk rekende voor alles af met twee argumenten, dat van de voorkeur voor „Nederlands fabricaat” en dat van het risico. In deze tijd van internationale samenwerking en uitwisseling vond hij het eerste een dwaasheid, de raad had trouwens diezelfde middag zonder kikken besloten een brandweerautospuit aan te kopen in.. Duitsland, en het tweede niet ter zake doende. Risico is onberekenbaar; als het orgel van de St. Laurens in Rotterdam in 1940 in Denemarken was geweest, was het gespaard gebleven. Het kostenelement mag natuurlijk niet in het geding zijn wanneer het om het behoud van zo'n waardevol cultuurmonument gaat.

Wat nu de keuze der commissieleden aangaat, deelde de wethouder mede, dat die geschied is op aanbeveling van de vroegere stadsorganist George Robert. Deze heeft de heren Oussoren. Engels en Hülsmann genoemd èn om hun deskundigheid èn om integriteit., In 1954 was alleen de eerste lid van de Hervormde Synodale orgelcommissie, de twee anderen zijn pas kort daarop daarin benoemd op grond van dezelfde kwaliteiten, die hun benoeming in de Haarlemse commissie wettigden. Intussen gaf wethouder Geluk de verzekering dat de zaken van beide commissies altijd streng gescheiden zijn gehouden.

Wat betreft de door de heer Schreurs gewenste bredere samenstelling van de commissie merkte wethouder Geluk op dat het in de eerste plaats van belang is, dat de leden oude orgels kennen en die komen nu eenmaal het meest in Hervormde kerken voor. Overigens waren er later voldoende rooms-katholieke deskundigen aan te pas gekomen: Hei1ler‚ De Klerk, Krauss. Het aantal gegadigden die dit werk zouden kunnen, maar ook willen doen is bovendien gering. Intussen was het voor Haarlem een voordeel, dat dr. Oussoren tevens voorzitter van de Hervormde synodale orgelcommissie is. Daardoor profiteerde men van een archief met gegevens over vierhonderd orgels. De wethouder weersprak ook de bewering, als zouden de Nederlandse orgelbouwers niet genoemd worden in het rapport, dat is wel degelijk het geval. Wat betreft de voorgestelde samenwerking tussen Nederlandse orgelbouwers en Marcussen, verklaarde de heer Geluk, dat Marcussen daartoe wel, Nederlandse orgelbouwers daartoe niet bereid bleken.

Wethouder Geluk onthulde, dat reeds in 1954 en 1955 tegen de commissie werd geageerd. Ook was het nodig, met het oog op een te organiseren grotere orgeltentoonstelling, in de zomer van 1955 de conclusies van het rapport vertrouwelijk ter kennis te brengen van een aantal personen. Omdat steun van bepaalde orgelbouwers voor de tentoonstelling noodzakelijk zou zijn geweest en B. en W. zich niet wilden binden, is de tentoonstelling niet doorgegaan. Bij die gelegenheid heeft de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen verklaard tot een bijdrage bereid te zijn, indien men erin zou slagen de orgelbouwers tot samenwerking te bewegen.

Wethouder Geluk ging vervolgens in op alle beweringen en citaten welke te vinden zijn in de brieven en adressen van de opposanten tegen dit voorstel en concludeerde, dat men aan a1 die opmerkingen rustig voorbij kan gaan, omdat ze nu eenmaal niet in oorsprong gericht zijn aan het gemeentebestuur en dus moeilijk te controleren vallen.

Eén figuur
Zoveel was volgens de wethouder wel duidelijk, dat één figuur al die actie heeft ontketend en tegenargumenten uitgelokt van mensen, die in feite niet precies weten hoe de kaarten liggen.

De heer Geluk citeerde de afgetreden voorzitter van de Nederlandse Organistenvereniging, George Stam, die verklaard had, dat de intoneerkunst hier te lande nog onvoldoende ontwikkeld is en dat samenwerking tussen Marcussen en een Nederlandse orgelbouwer het bereiken van het hoogste niveau in de weg zou kunnen staan: de orgelmaker moet eigenlijk alles zelf doen. De heer Geluk wees er voorts nog op, dat Zachariassen schriftelijk zich heeft verplicht om de klank van Müller terug te vinden. Hij is trouwens gebonden aan de maten en materialen welke door het orgel zelf zijn gegeven. Daarenboven zal de adviescommissie nog toezicht uitoefenen op de restauratie. Bovendien zal het ook mogelijk zijn Franse muziek tot haar recht te laten komen; Albert de Klerk is dan ook, na aanvankelijke aarzeling, nu met het voorstel akkoord gegaan. Al deze voorwaarden worden in het contract opgenomen. Een van de laatste onwaarheden welke de heer Geluk wilde ontzenuwen gold de bewering, dat de Hervormde orgelcommissie erop uit zou zijn een bepaalde orgelbouwer geen opdrachten meer te geven. Nog onlangs is dat tot twee keer toe wel het geval geweest. Wat de positie van de orgelbouwer Van Leeuwen betrof, stipuleerde spreker, dat deze slechts adviserend lid van de commissie is geweest. Daarom heeft hij het rapport ook niet mede ondertekend. Hoe zijn zienswijze omtrent de opdracht luidt is B. en W. onbekend, zij hebben het de heer Van Leeuwen ook niet gevraagd.

Bij de replieken bleek de heer Van Velsen nog steeds beducht voor het overheersende karakter van Zachariassen op de klankgeving van Müller, hetgeen dan ook tot zijn tegenstemmen leidde, waarin hij door zijn fractiegenoten Adelaar, Balm en Knape werd gevolgd.

Op de publieke tribune werd het resultaat van de stemming met kort applaus ontvangen.

Bron: Haarlems Dagblad | 13-12-1956

 

Bavo-orgel wordt door Deense firma gerestaureerd

Besluit Haarlemse gemeenteraad

HAARLEM, 13-12-1956 - De restauratie van het oude, uit 1738 daterende orgel van Christian Muller in de Bavokerk te Haarlem zal worden opgedragen aan de Deense firma Marcussen. Aldus heeft gistermiddag de Haarlemse gemeenteraad, na een beraadslaging, die ruim twee uur in beslag nam en die door de N.C.R.V. op de band werd vastgelegd, besloten. Tevens werd voor de restauratie een bedrag van f 160.000 gevoteerd.

Uiteraard kwamen de adressen en brieven waaronder ook een uit Groningen, ter sprake, die aan de gemeenteraad waren gericht en waarin werd aangedrongen op een raadsbesluit ten gunste van een Nederlandse orgelbouwer. Sommige raadsleden en ook de wethouder voor kunstzaken, de heer D. J. A. Geluk, zeiden dat het hun in de loop van de laatste weken was opgevallen, dat degenen die tegen de restauratie door de Deense firma waren, nagenoeg allen de Nederlandse orgelbouwer Flentrop te Zaandam ter sprake hadden gebracht. En hier kwam de aap uit de mouw: „Het gaat dus niet om de Nederlandse orgelbouw in het algemeen, maar om de heer Flentrop in het bijzonder", zei één van hen.

Wethouder Geluk betoogde, dat in de laatste tijd pogingen zijn gedaan om B. en W. te beïnvloeden. Men heeft verdachtmakingen geuit aan het adres van de adviescommissie, wier rapport aan het voorstel van B. en W. ten grondslag ligt. Verschillende buitenlandse musici hebben hun mening contra Marcussen te kennen gegeven aan tot nu toe onbekend gebleven derden.

De orgelbouwer Marcussen zal zich bij zijn restauratie houden aan het bestek van de oorspronkelijke bouwer van het instrument. Op deze wijze zal hij in staat zijn de oude klank, die verloren is gegaan bij de restauratie door Witte in 1866, te hervinden, aldus wethouder Geluk.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden | 13-12-1956

Revue der verdwijnende registers van het Bavo-orgel

HAARLEM - "REVUE van de verdwijnende registers van het Bavo-orgel" zou een niet zo heel ongeschikte titel zijn voor het drukbezochte concert dat door de Zaandamse organist Cor Kee op het Muller-orgel in de Sint-Bavokerk werd gegeven. Zonder zich pro of contra uit te spreken omtrent de voorgenomen restauratie, waarover ons blad indertijd uitvoerig heeft bericht, heeft hij een drietal composities gekozen, er zelf nog een voor geschreven en heet van de naald een improvisatie gegeven op een thema van Anton Heiller, waarbij de registers die volgens de restauratie uit de dispositie zullen verdwijnen, registers die op zich zelf waardevol zijn, doch die niet in de oorspronkelijke dispositie voorkwamen, aan bod konden komen.

Registers, die de Haarlemse musicoloog Jos de Klerk onlangs de opmerking in de pen gegeven hebben, ze in een vierde, nieuw te bouwen klavier onder te brengen omdat ze een tijdlang de schoonheid van het orgel, zij het voor een bepaalde stijlperiode, gediend hebben en met de andere registers bestemd waren om composities uit die periode te laten klinken, zoals de componist ze had gedacht. Een denkbeeld dat bij rustig overwegen lang niet verwerpelijk is en dat slechts stranden zal op de historiserende beginselen die de verantwoordelijke autoriteiten voor deze restauratie volgen.

Cor Kee opende zijn concert met een in bedachtzaam tempo gespeelde Chromatische Fantasie van Sweelinck, waarin hij evenals in de Oud-Hollandse Speelmuziek van Johan Wagenaar en het Preludium en Fuga van Badings, elk in hun eigen stijl gelegenheid te over vond om de rijkdom van de bestaande dispositie alle recht te doen. Zijn „Suite Bavoorgel-1958" verwerkt als herinnering, een en ander van wat zich afspeelde op en rond dit orgel, zoals de componist in een toelichting van het programma meedeelt. „Elke periode kent zijn eigen canon waaraan het zich meet; en waarover men nu huilt, lacht men straks, en omgekeerd."  

In de verwerking van zijn thematisch materiaal laat hij verschillende organisten die hier stadsorganist waren „aan het woord". Aan de 19e eeuwer Joh. G. Bastiaans, de vernieuwer van de Haarlemse orgelstijl ontleende hij een bas-motief dat hij door de verschillende tongwerken met figuraties laat omspelen en in volle akkoorden zijn plaats geeft. Het tweede deel is gebaseerd op het Kerstlied van Vondel „O Kerstnacht, schoonder dan de dagen", waarvan de bekende melodie hoogstwaarschijnlijk van de hand van de Haarlemmer Cornelis Tymensz. Padbrué is.

Cor Kee componeerde het in een 17e eeuwse en in een 20e eeuwse zetting, de laatste in tere kleuren. In het derde deel bezigt hij de door Joan Dusart, 17e eeuws organist en klokkenist van Haarlem, uitgevonden Cornet, een sterk en doordringend register, dat een pittig thema als canon in de kwint verwerkt. Het „Hildebrandt-monumentje" geeft hem aanleiding tot felle contrasten van ff en pp en het hier met een uiterst dunne vulstem al even ondeugend klinkend regeltje „Ach, du lieber Augustin" dat de tante uit de Camera Obscura plotseling uit de speeldoos liet horen. Het slot van deze geestig parodiërende en meer badinerend dan diepgaand bedoelde Suite was een knap geschreven dubbelfuga op enkele letters uit de namen van de beide tegenwoordige stadsorganisten Albert de Klerk (a-b-e-d-e-e-) en Piet Kee (e-e-e), waarbij de tussenspelen herinneren aan wat deze organisten gewoon zijn te spelen: Bach en Franck. Het thema voor de improvisatie van een Passacaglia verschafte hem rijke harmonische mogelijkheden waarvan hij een briljant gebruik maakte. De zeer gevarieerde Passacaglia liep vlot van stapel en heel het palet van het orgel-van-1958 kreeg een beurt, zodat hij een zeer fraaie afwisseling bereikte met een klarinet-solo en andere „op de contrabande-lijst" staande registers in een heldere climax naar een statig en berustend einde. Ten slotte zijn organisten vreedzame mensen, sommige zelfs wijsgerig aangelegd en aan zijn spel te horen, is Cor Kee er één van. Piet Visser

Bron: Algemeen Handelsblad 16-07-1958

Cor Kee over oude en nieuwe klankproblemen

De Zaandamse organist Cor Kee, die aan de Zomeracademie voor orgel doceert in de kunst van de improvisatie, verzorgde dinsdagavond in de Grote Kerk te Haarlem de gemeentelijke orgelbespeling. Hij trakteerde een vrij talrijk publiek op een concert, dat in menig opzicht gepeperd en gekruid mocht heten. Het was er Kee blijkbaar om te doen de meest zeldzame klankcombinaties, die op het orgel van Christiaan Müller nu nog mogelijk zijn, een opzettelijke rol te laten vervullen.

Daartoe diende vooral de vertolking van zijn vijfdelige compositie „Suite Bavo-Orgel 1958". Hierin is met spirituele inslag een en ander over de klankproblemen, die in de loop der tijden om het instrument oprezen, aan de orde gesteld en waarvan de vertolking dus ook meebracht, dat er opzettelijke registraties in te pas werden gebracht. De herinnering aan de organist Bastiaans die negentig jaar geleden een aanzienlijke wijziging in de dispositie van het orgel wist door te zetten, werd in de Suite bewerkstelligd door een Intrade op een obstinaat basmotief van hemzelf en gespeeld op de tongwerken, waarbij in een alternatief de fraaie klarinet te horen was, een der registers van de toenmalige vernieuwing. Vondels Kerstrei, waarvoor de Haarlemse musicijn Thymen Padbrué ongetwijfeld de muziek schreef (zoals ik in ons blad al eens breedvormig betoogd heb) vormde het tweede deel van de Suite, doch aangezien er ook een gewijzigde lezing uit de vorige eeuw van dit lied bestaat, speculeerde Cor Kee op het verschil in klanksmaak, door de originele zangwijze in mixtuur te laten horen en daarna de jongere, verwaterde melodie in grondtonige labialen.

Aan de organist Dusart, die in de kerk het oude orgel bespeelde, wordt de vinding van een kornetregister toegeschreven, aanleiding om in de Suite ook een nummer aan hem te wijden, waarin zijn inventie geïmiteerd (ik schreef haast „geparodieerd") werd. En omdat in de tijd dat Beets zijn „Camera Obscura" schreef, de Haarlemmers trots waren op de daver van het volle werk, maar ook vol bewondering voor het uitermate zachte geluid van het Bavo-orgel, demonstreerde Kee deze contrasten in zijn compositie onder de titel „Een Hildebrandmonumentje".
Tenslotte portretteerde hij in een contrapuntisch slotdeel de beide tegenwoordige stadsorganisten. waarbij het hoofdzakelijk om moderne klankcomplexen ging, ongeacht dan de spirituele vondsten, die niet van de lucht waren.

Cor Kee had zijn bespeling met een rustig beheerste interpretatie van Sweelincks „Chromatische Fantasie" ingeluid. Voor een reeks stukken onder de titel ‚‚Oud-Hollandse Speelmuziek" van dr. Johan Wagenaar sprak hij rijkelijk de pronkkast van het instrument aan om zijn vertolking karakteristiek te kleuren. In een gaaf gespeeld „Preludium en Fuga" van Henk Badings doseerde hij ook heel wat „kruidnoten” en de passacagliavorm waarin hij improviseerde op een thema, dat hem op het laatste moment voorgelegd werd, was als het ware gekozen om het spectrum der orgeltimbres tot in het oneindige uit te buiten. Jos de Klerk

Bron: Oprechte Haarlemsche Courant 16-07-1958