Verslag raadsvergadering inzake aanbesteding restauratie

HAARLEM 20 februari 1903 - Verslag van de Raadsvergadering over het ingebrachte PUNT G:

Voorstel van B. en W. om een bedrag van fl18.000,-  beschikbaar te stelten voor herstellingen van het orgel in de Grote Kerk, die acht á negen maanden arbeid zullen vorderen.

Hierbij is ingekomen een amendement van de heer Van de Kamp, om voor de kosten van herstelling offerte te vragen aan vier of vijf vaklieden en een adres van de firma Adema te Amsterdam, om mee te mogen dingen.

De heer VAN DE KAMP vindt niet goed, dat degeen die het orgel heeft onderzocht zonder concurrentie de herstelling maakt.

De heer VAN DEN BERG noemt een orgelmaker in Duitsland, die goedkoop werkt en twee orgels compleet voor fl 2.100,- heeft geleverd. Spreker wenst daarom offertes aan verschillende deskundigen.

De heer VAN LIJNDEN geeft in overweging tevens advies in te winnen: het maken van enkele technische verbeteringen, die dan met kleine kosten zullen kunnen geschieden.

De heer HUGENHOLTZ geeft in overweging voor een zo belangrijke herstelling tegemoetkoming te krijgen van Rijkswege. Op de 8e afdeling van de staatsbegroting komt een post instandhouding van kunstwerken voor. Misschien kan daarop een duizend of wat gebracht worden.

De heer DE BREUK wijst er op, dat de herstelling van 't orgel maar fl 13.000,- kosten zal, de rest is voor steigers enz. Ook in 1865 is een dergelijk bedrag uitgegeven. B. en W. hebben geïnformeerd naar de persoon van degene aan wie B. en W. de restauratie willen opdragen en zeer goede informaties gekregen. Hij kent het orgel geheel en is een bijzonder consciëntieus man. 't Is geen werk om aan iedereen op te dragen, als het bouwen van een huis. Aanbesteding is niet gewenst. B. en W. zijn geen deskundigen, de ambtenaren evenmin, wel de heer Spit aan wie B. en W. het werk dan ook met vertrouwen willen opdragen. Een kunstwerk als het orgel moet aan bekwame handen worden toevertrouwd. B. en W. zullen informeren, of ook technische verbeteringen kunnen werden aangebracht.

De heer WILLINK voelt dat het hier een zaak van vertrouwen en vakkennis geldt, maar men zeilt te veel op een kompas. Spreker wenst het orgel door een commissie van deskundigen te laten onderzoeken, die dan adviseert wat er aan moet worden veranderd.

De heer VAN DEN BERG meent dat er meer solide firma's in de lande zijn dan de heer Spit. Zij kunnen evengoed een onderzoek doen en een prijs opgeven als deze. Misschien is er ook verschillend inzicht over de vernieuwing van het instrument.

De heer DE BREUK verdedigt het standpunt van B. en W..

De heer VAN DE KAMP zegt, dat het betrekkelijk een zaak van vertrouwen is. Vroeger was het orgel in onderhoud hij de firma Witte in Utrecht en deze heeft op zijn sterfbed Maarschalkerweerd als zijn opvolger aanbevolen. Twee orgelfabrikanten hebben aan spreker verklaard, (hij heeft de brief in zijn zak) dat de door B. en W. aanbevolene geen orgelmaker is, hij is alleen stemmer.

De heer DE BREUK zegt, dat de weduwe Witte behalve Maarschalkerweerd ook Spit heeft aanbevolen. Hij heeft dan ook verschillende belangrijke restauraties van orgels uitgevoerd en altijd het orgel hier gerestaureerd. Ook acht de organist, de heer Ezerman het raadzaam, dat Spit het orgel zal stemmen en repareren.

De heer MODOO vraagt, wat er tegen kan zijn, bij goede firma's ook prijs te vragen.

De heer VAN DEN BERG heeft horen voorlezen, dat Spit een stemmer is die een zaak gaat beginnen. Is dat nu de man, aan wie met uitsluiting van alle anderen, het werk moet werden opgedragen?

De heer SCHRAM acht ook beter bij meer personen te informeren naar de kunsten en noemt de firma Adema, die in de kerk der Doopsgezinden het orgel heeft hersteld. 't Is spreker minder om een koopje te doen, maar om 't orgel zo goed mogelijk te krijgen.

De heer STOLP meent, dat de heer Spit eigenlijk meer in het bijzonder het orgelmaken voortzetten ging.

De heer NIEUWENHUIS  KRUSEMAN vraagt, of men de goedkoopste nemen moet. Dat kan immers niet, omdat de één allicht heel wat anders aanbiedt, dan de ander. 't Is een zeer ingewikkeld kunstwerk en Spit stemt het wat zo eenvoudig niet is. De moeilijkheid is juist te weten, wat er eigenlijk aan gedaan moet worden. Iedereen wil er wel wat aan verbeteren maar we wensen allen afdoende verbetering en die kan als zaak van vertrouwen, aan niemand beter worden opgedragen clan aan hem die het orgel het best kent.

De heer ROOG zal voor het amendement Van de Kamp stemmen, omdat we daarmee een overzicht krijgen van wat de fabrikanten elk voor zich nodig achten. Elk hunner zal het orgel zo goed mogelijk in orde willen brengen.

De heer WILLINK stelt voor, een commissie te benoemen van drie deskundigen en daarvoor fl 500,- beschikbaar te stellen.

De heer VAN DEN BERG stelt voor opgaaf te vragen bij verschillende orgelmakers. Beide amendementen worden ondersteund en door de voorstellers opnieuw toegelicht.

De heer ROOG verzoekt de prioriteit van het amendement Tjeenk Willink, dat hem het meeste toelacht.

De heer BEIJNES vraagt of de organist en de stemmer niet aan Commissie moet worden toegevoegd. Vreemden kennen het niet zo goed. Wie er dagelijks mee omgaat kent de gebreken.

De heer ROOG antwoordt, dat de Commissie uit deskundigen moet bestaan, die er dus zelf een oordeel over zullen hebben te vormen.

De heer NIEUWENHUIS  KRUSEMAN vraagt wie de deskundigen moeten wezen, die geen orgelmakers moeten zijn. Deskundigen dienen over de zolders in de pijpen te klimmen. Hoe willen die drie hier genoemde deskundigen, Spit, Maarschalkerweerd en Adema, in commissie verenigd, het met elkaar eens worden?

De heer VAN DE KAMP trekt zijn voorstel in.

De heer WILLINK meent, dat er nog wel meer deskundigen zijn buiten de drie genoemden. Het amendement Willink wordt verworpen met 17 tegen 13 stemmen. Het amendement Van de Berg wordt aangenomen.

Bron: Haarlems Dagblad | 20 februari 1903

Orgelstemmer Spit for ever!

HAARLEM - 1903-02-20 - Deel van de nabetrachting over de gemeenteraadsvergadering dd 20 februari 1903 uit het Haarlems Dagblad: Er volgde nog een debat over de reparatie van het orgel die ook al niet door levendige frisheid uitmuntte. B. en W. wilde het herstellen van het orgel in de Grote Kerk voor f13.000.— maar opdragen aan de gewonnen stemmer- en hersteller Spit, de heer Van de Kamp wou een soort van aanbesteding houden, de heer Tjeenk Willink een commissie van deskundigen benoemen en de heer Van den Berg prijs vragen aan vier of vijf bekwame orgelmakers.

Het spreekt wel vanzelf dat geen van de Raadsleden kerkorgels en reparatie daarvan kan beoordelen, maar misschien juist daardoor was de welsprekendheid zo groot. Niemand kon de ander immers controleren. En zo bleef ieder op zijn standpuntje staan, niet het minst B. en W. die van geen enkel voorstel horen wilden en zich hielden aan hun Spit. Spit en geen ander zou het maken! Spit for ever! Inmiddels wist er één te vertellen dat Spit eigenlijk maar een stemmer was en geen orgelmaker. Twee andere orgelmakers hadden daar een briefje van geschreven, ja, je moet in de Haarlemse Gemeenteraad al zo wat horen. Het liep daarmee af, dat het voorstel van dokter Van den Berg werd aangenomen. In mijn buurt waren de leden al zo ongeduldig geworden, dan zij onder elkaar grapjes verkochten of het niet goed zou wezen een Commissie te benoemen, bestaande uit een orgelmaker, een orgelstemmer, een orgeldraaier en een orgeltrapper. Een vrij tamme aardigheid, lang zo goed niet als die van de heer Van de Kamp, die, toen hem verweten werd dat hij de armenbedeling in een corset wilde wringen zei: ,‚welnee, ik wil haar integendeel een reformjapon aandoen”.

Haarlem's Dagblad | 20 februari 1903 | pagina 1  (1/5)

Bavo's Müller-orgel liep brandgevaar

HAARLEM  9 augustus 1903 -Het heeft maar weinig gescheeld of het beroemde orgel in de St Bavo te Haarlem had tot het verleden behoord. Gisterochtend tegen kwart voor twaalven was een loodgieter bezig gloeiende bouten in een goot te solderen in de zuidwestelijke zijbeuk, waarin zich dat orgel bevindt, toen het droge, vermolmde hout daaronder vuur vatte. De man trachtte dit te blussen met een emmertje water, doch het vuur vrat zo door, dat het lood smolt en in straaltjes langs de muur droop en vlam en rook spoedig uitsloegen.

Dit werd gelukkig gezien door de heren Van den Broek, waarvan er één wegijlde om een slangenwagen te halen, waarna met een straal van de waterleiding het gevaar werd bedwongen. Het enige centimeters dikke hout onder het leiendak was reeds tot op een hoogte van bijna twee meter verkoold en ware het onheil een kwartier later geschied, dan zou, omdat dan de toegang tot de zolder gesloten zou zijn geweest, de ramp niet te overzien geweest zijn. Want de wenteltrap die naar de zolder leidt, zou men dan door de rook niet meer hebben kunnen beklimmen en het punt waar de brand was, is goed 14 meter van de straat af.

Bij deze gelegenheid is een fout aan het licht gekomen, die nodig dient verbeterd, namelijk dat de vrijwilligers van spuit 10 niet bekend waren met de plaatsen waar in de kerk brandblusmiddelen zijn aangebracht. Ware dit wel het geval geweest, dan had, daar er op de wenteltrap vlak bij dit gevaarlijke punt een slang met pijp en kraan aanwezig is, geen ladderwagen van de politie gehaald behoeven te worden en er was dan geen tijd verloren gegaan.

De commandant der brandweer, de wethouder De Breuk en de kerkvoogd, baron Van Lundexi, waren dadelijk aanwezig. (N. R. C.)

Bron Leidsch Dagblad | 9 september 1903 | pagina 2 (2/8)

Nabetrachting van de gemeenteraad

HAARLEM 27 mei1904 - De herstelling van ons beroemde orgel in de St. Bavo heeft haar beslag gekregen, daar de Raad er woensdag de nodige gelden voor heeft toegestaan. Financieel is het niet tegengevallen. Aanvankelijk is over f 18.000 gesproken en nu komt de gemeentekas er met f 13.500 af. Waar in de regel aanvankelijke begrotingen en ramingen bij de gemeente op teleurstelling uitlopen, daar mag deze meevaller wel even in onze nabetrachting worden geboekstaafd.

Het werk zal worden uitgevoerd door de bekende orgelmaker Maarschalkerweerd en terecht zei de heer Van Lijnden, die in de Raad aldus als muzikale specialiteit optrad, dat zijn plan een zeer gelukkig plan is. Na rijp beraad is het door de Commissie van organisten, bestaande uit de heren W. Ezerman, C. F. Hendriks Jr. en Jos. A. Verheijen, uit de verschillende door orgelmakers ingediende plannen gekozen.

Het plan van Maarschalkerweerd laat de hoofdconstructie van ons orgel onaangetast, zeer terecht, omdat juist daarin de grote bekoring van ‘t instrument gelegen is. Van een deskundige heb ik vernomen‚ dat verschillende modern ingerichte orgels, van dezelfde grootte als het Haarlemse, lang niet de krachtige klank voortbrengen, die het onze bezit en die wel voor een groot deel aan de constructie, maar toch ook, naar ‘t schijnt, voor een gedeelte evenals de akoestiek in een zaal, aan toeval te danken is.

De reparatie betreft vooral de schoonmaak van het instrument, verder de vernieuwing van delen van het mechanisme, vooral van koperdraad en ten slotte een moderne toepassing tot verlichting van ‘t klavier. ‘t Klavier namelijk is zeer zwaar te bespelen en wordt zwaarder naarmate er meer registers worden uitgetrokken zodat dan ook een zogenaamde “pneumatische verlichting” van het klavier in de herstellingsplannen opgenomen is. Ook werd ons gesproken over een nieuw systeem windtoestel.

Is eenmaal de herstelling achter de rug, dan zullen de toehoorders daar het genot ondervinden in de vorm van vooral van een gelijkmatiger toon, dan die thans door het instrument kan worden voortgebracht. Minstens zeven, misschien wel acht maanden kan de reparatie duren, zodat wanneer er nu aan begonnen werd, midden in de winter de arbeid tot een eind gekomen zou zijn. Dit gaf de heer Bijvoet gerede aanleiding om te verzoeken de reparatie eerst na de zomer te beginnen, een verzoek, waaraan B. en W. beloofd hebben, zoveel mogelijk te voldoen.

Kan de reparatie in ‘t najaar worden begonnen, dan behoeven de vreemdelingen die hierheen komen niet te worden teleurgesteld en kan de Vereniging Koninginnedag op 31 augustus haar gewone concert geven, dat niet alleen een aantrekkelijk gedeelte van haar programma vormt, maar ook een aardig middel is tot stijving van haar kas.

Bron: Haarlems Dagblad | 27-05-1904

Opdracht herstelling orgel St. Bavo

HAARLEM 6 juni 1904 - Door de gemeenteraad van Haarlem is besloten, aan de Utrechtse firma Maarschalkerweerd en Zoon de herstelling op te dragen van het beroemde grote orgel aldaar.

Bron: Rotterdams Dagblad |
6 juni 1904

Het Orgel der Grote Kerk

Haarlem | 6 juli 1904 - Zoals de lezers van dit blad bekend is wordt het orgel in de Grote Kerk hersteld en zal daarmede dit jaar nog een aanvang worden gemaakt, vermoedelijk na het Zomerseizoen, teneinde de vreemdelingen nog te kunnen doen profiteren van alle orgelconcerten gedurende deze zomer.

Wij deelden reeds vroeger enige historische bijzonderheden van dit orgel mede en zouden er wellicht niet over hebben geschreven, zo onze aandacht niet werd gevestigd op een artikel over Kerkorgels in het Bouwkundig weekblad ,‚De Opmerker" van 4 Juni j.l. Na het voorstel van B. en W. aan de Gemeenteraad te hebben medegedeeld, schrijft dit blad:

,,Men vraagt zich af, hoe het komt dat thans zulk een vrij belangrijk bedrag voor herstelling nodig is. Wie echter enigszins bekend is met de toestand, waarin weinige jaren geleden de meeste onzer beroemde kerkorgels verkeerden en sommigen nog verkeren, zal er zich niet over verwonderen.”

,,Eerst, betrekkelijk weinige jaren geleden schijnt men tot het besef te zijn gekomen, dat deze instrumenten, hoe solide ook geconstrueerd, toch ook aan slijtage onderhevig waren en niet alleen een voortdurend, maar ook een zaakkundig onderhoud vereisten. Stelden vroeger de organisten weinig belang in de toestand hunner instrumenten, thans ziet men die heren, vrij algemeen, zich in dit opzicht meer moeite geven, om die instrumenten, ook wat hun samen stelling, eigenschappen en gebreken aangaat in alle bijzonderheden te onderzoeken.”

,,Dit onderzoek zien wij dan meestal leiden tot de conclusie, dat het voor de kerkbesturen hoog tijd geworden is, om flinke bedragen beschikbaar te stellen voor een dikwijls lang verwaarloosde zaak.
Het nageslacht zal zeker de musici dankbaar zijn voor hun optreden in deze, want de Nederlandse kerkorgels zijn monumenten die wij wel in waarde mogen houden, waar wij dan ook trots op zijn, al is de kennis daarvan bij het publiek zeer oppervlakkig.”

Dit commentaar is zeker niet van toepassing op het Haarlemse orgel. Of de schrijver heeft naar enige feiten gegeneraliseerd, of, zo de algemene toestand werkelijk zó is, het Haarlemse orgel maakt een gunstige uitzondering.

De organisten die dit orgel van het begin af hebben bediend zijn allen mannen van grote naam, die getoond hebben wel degelijk belang in hun instrument te stellen, zelfs zó dat hun naam niet alleen vereeuwigd is in onze stad, doch in ons gehele land, ja ook in het buitenland. Het waren namelijk de heren:

Henricus Radeker, 1738-1774
Jan Radeker. 1774-1801
Johan Peter Schumann, 1801-1858
Johannes Gijsbertus Bastiaans, 1853-1878
Johannes Bastiaans Jr.‚ 1878-1886
Willem Ezerman van 1886 at.

Een andere zaak is dat het Haarlemse orgel zeer zeker dikwijls hersteld is en tweemaal zelfs geheel uit elkaar is genomen. En dit is niet ingezien sedert betrekkelijk weinige jaren, want in 1836 werd het orgel door de orgelmaker Gabry uit Gouda geheel uit elkander genomen, schoongemaakt, opnieuw beschilderd en verguld.

Dit kostte in het geheel f 5.800, namelijk f 3000 voor schilderwerk en vergulden, f 1000 voor timmer- en steigerwerk en f 1800 aan de orgelmaker. Voor die tijd hadden ook meermalen min of meer belangrijke herstellingen plaats.

In 1868 had weer een belangrijke herstelling plaats, die werd uitgevoerd door de heer C. G. F. Witte, firma J. Bätz & Co. te Utrecht, die ruim f 3000 kostte. Deze restauratie was van dien aard en zó welgeslaagd, dat het orgel weer voor een reeks van jaren verzekerd was tegen achteruitgang en verval, terwijl het “geluid” zeer veel aan waardigheid had gewonnen.

Doch had de schrijver in “De Opmerker” zich de moeite getroost de gedrukte verslagen van de toestand onzer gemeente na 1850 eens na te zien, dan had hij zeker anders geoordeeld. Hieruit toch blijkt, dat het orgel steeds een voorwerp van aanhoudende zorg is geweest voor het gemeentebestuur en ook, dat na 1868 meermalen kleinere herstellingen hebben plaats gehad, wat trouwens voldoende bekend is.

Noch van laksheid‚ noch van zorgeloosheid is het gemeentebestuur in deze te beschuldigen, het heeft meer gedaan dan het moest doen, al heeft deze herstelling een paar jaar later plaats dan wel bedoeld was. Tevens willen wij er even op wijzen, dat het Haarlemse orgel geen kerkelijk eigendom is, doch toebehoort aan de gemeente.

Wel stemmen wij in met hetgeen genoemd blad verder overneemt uit “de Nijmeegsche Courant" van de hand van de organist, de heer W. l.de Vries, naar aanleiding van de herstelling van het orgel in die plaats. Velen verkeren in de mening dat het orgel in de Grote Kerk te Nijmegen het grootste is in ons land na het beroemde Haarlemse orgel. Anderen weer noemen het orgel alhier het fraaiste na dat van Haarlem.

De eersten zijn verre bezijden de waarheid. Immers, het Haarlemse orgel is nooit het grootste geweest hier te lande. Tot het jaar 1845 was het orgel in de Grote Kerk te Zwolle, dat van oudere datum is dan het orgel in St. Bavo te Haarlem, het grootste. In 1845 echter werd het orgel in de Grote Kerk te Rotterdam aanmerkelijk uitgebreid en daardoor tevens het grootste, zoals duidelijk uit het volgende blijkt:

Het orgel te Rotterdam heeft vier klavieren en 72 sprekende registers; het orgel te Zwolle vier klavieren en 64 sprekende registers; het orgel te Haarlem drie klavieren en 60 sprekende registers; en het Nijmeegse orgel drie klavieren en 53 sprekende registers. Het is volkomen waar dat ten onrechte het Haarlemse orgel voor het grootste en schoonste in ons land wordt gehouden.

Vermoedelijk vindt dit zijn oorzaak in de in 1845 verschenen beschrijving ‚van dit instrument door de heer Wolff. die in hoogdravende bewoordingen uiting geeft aan zijn enthousiast oordeel en een beoordeling van een buitenlander overneemt in dat werkje. Hierin lezen we ondermeer: ,,Te Haarlem vindt men het beroemde orgel dat voor het schoonste der gehele wereld mag worden gehouden.”

,,Met één woord, het gehele kunststuk is voortreffelijk en indrukwekkend‚ ik zou wel mogen zeggen hemels, want wanneer het zich slechts doet horen wordt het oor gestreeld door tonen die als tot de ziel doordringen. hoedanig men voorzeker nergens elders in enig ander orgel gehoord heeft of zal horen."

Dit oordeel moet uitgesproken zijn door de beroemde Händel en is door latere beschrijvers overgenomen, alsmede door samenstellers van verschillende gidsen en reisboeken.

Z.

Bron: Haarlems Dagblad | 6-07-1904
 

Het orgel der Grote Kerk

HAARLEM 29 augustus 1904 - Dinsdag a.s. zal de laatste openbare orgelbespeling in de St. Bavo gegeven worden. Na het kerkconcert op 31 augustus zal dan onmiddellijk een aanvang worden gemaakt met het herstellen van het orgel, wat ongeveer acht maanden zal duren omdat de herstellingen zeer omvangrijk zijn.

Het binnenwerk zal een algehele vernieuwing moeten ondergaan, hetgeen met de bijkomende werkzaamheden een som van f 13.500 zal vereisen. De firma Maarschalkerweerd en Zoon te Utrecht is belast met deze herstellingen en vernieuwingen.


Bron: Haarlems Dagblad | 29-08-1904

Verzoek vergoeding

Ingekomen is een verzoek van G. Spit, orgelmaker te ‘s-Gravenhage, om hem f 200 toe te kennen als vergoeding voor de arbeid en de kosten gemaakt bij de opmaking van een bestek en begroting van de kosten van de herstellingen en vernieuwingen aan het orgel in de St. Bavo-kerk, hem door B. en W. opgedragen.

B. en W. adviseren tot inwilliging van dit verzoek en stellen voor deze post te boeken onder „Onvoorziene uitgaven“.

De heer VAN DE KAMP heeft bij de stukken geen bewijs gevonden, dat B. en W. aan Spit een bestek hebben opgedragen. Is dat gebeurd of was ‘t een prijsopgaaf van Spit zelf? In ‘t laatste geval is spreker tegen vergoeding.

De VOORZITTER antwoordt, dat B. en W. 18 October Spit hebben verzocht een bestek te maken.

De heer VAN DE KAMP vraagt of hij niet de eerste was die vroeg of hij prijs mocht opgeven. De Haarlemse Machinefabriek heeft vroeger toch ook geen nota ingeleverd.

De heer DE BREUK zegt dat gestorven was Witte te Utrecht, die het orgel placht te herstellen. Aan de erven is toen gevraagd of er een plan onder de papieren was, maar men antwoordde dat Spit het misschien had. Deze had het ook niet en vandaar, dat hem is verzocht een bestek te maken als leidraad. Derhalve moet het betaald worden.

De heer RINKEMA zegt, dat, waar speciaal iemand een opdracht wordt gedaan en de uitvoering wordt hem niet opgedragen, dat bestek of plan zeker moet worden betaald. .

De heer VAN DE KAMP zegt, dat het plan van Spit niet eens gevolgd is. Het voorstel van B. en W. wordt goedgekeurd. Tegen de heer Van de Kamp.

Bron: Haarlems Dagblad | 29-09-1904

Het Haarlemse orgel

De Opregte Haarlemsche Courant deelt mede:

HAARLEM – 8 november 1904 - De herstellingen, die aan het grote orgel in de St. Bavokerk te Haarlem verricht zullen worden zullen bestaan uit het volgende: Het orgel wordt geheel uiteengenomen en schoongemaakt, iets wat sinds 1868 niet heeft plaats gehad.

Een massa vuil en stof heeft zich in het instrument opeengehoopt en is tot in alle hoeken doorgedrongen. Eén der voornaamste redenen hiervan is wel de plaats gehad hebbende herstelling van het grote raam aan de westzijde der kerk achter het orgel.
De blaasbalgen, die nu sedert een tijdperk van 168 jaren de geluidvoortbrengende kracht aan het instrument hebben verschaft, worden vernieuwd en vervangen door blaasbalgen van het nieuwere reservoir-systeem, wat ten zeerste bevorderlijk is voor een meer gelijkmatige windaanvoer.

Ter vergemakkelijking van de speelaard voor klavier en pedaal wordt aan gebracht de dusgenaamde „Levier pneumatique van Barker”, een intermediair, dat de bespeling zeer vergemakkelijkt door het doelmatig gebruik van luchtdruk.

De afmetingen van het pedaal worden teruggebracht tot de normale Mechelsche mensuur, sinds 1864 in gebruik gekomen. Alle pijpen, ruim 4000 in aantal, worden schoongemaakt, builen en inscheuringen gerepareerd en alle opnieuw geïntoneerd en gestemd. De orgelkas wordt opnieuw geschilderd.

De Dordrechtsche Courant, 1904-11-08; p. 3



Het orgel in De Sint BavoKerk

HAARLEM - 4 februari 1905 - De werkzaamheden voor de vernieuwingen en herstellingen aan het orgel der Grote- of Sint Bavo-Kerk zijn in volle gang.

Alle pijpen, 4000 in getal, zijn er uitgenomen, nagezien en schoongemaakt, terwijl men thans begonnen is met het weer in elkander zetten dezer pijpen. Zoals wij reeds eerder mededeelden wordt dit belangrijke werk uitgevoerd door de firma Maarschalkerweerd en Zoon te Utrecht. Het is te hopen, dat de restauratie vlot van stapel loopt en geen belemmering ondervindt, opdat het beroemde orgel nog voor deze zomer gereed komt en in het reisseizoen de wekelijkse orgelbespelingen plaats kunnen hebben. Want het missen van één der grootste aantrekkelijkheden van onze stad zou anders ongetwijfeld het vreemdelingenbezoek schaden.


Bron: Haarlems Dagblad | 04-02-1905

Ons vernieuwde orgel

HAARLEM – 19 mei 1905 - De heer W. Ezerman, organist van de Grote Kerk, heeft de vriendelijkheid gehad, mij het vernieuwde orgel te laten zien. Op dit ogenblik is de toestand o, dat de orgelmakers hun werk hebben beëindigd. De schilder is aan ‘t woord. Het front van het orgel, dat er in de laatste jaren zo haveloos uitzag, is geheel vernieuwd, de frontpijpen zijn allen nieuw gepolijst, het verguld ziet er keurig uit. Kortom, voor zover wij publiek gewoon zijn het orgel te zien, moet het op ieder de indruk maken van een van meer dan vernieuwd, van een nieuw instrument.

,,En zo mag het ook wel heten’’ zei de heer Ezerman met de begrijpelijke trots van de musicus, die nu gekregen heeft wat hij sinds jaren wenste. Terwijl hij een akkoord aansloeg dat het schalde door de wijde kerkruimte, wees hij mij er op hoe het hinderlijke rammelen van de toetsen door inwendige bekleding geheel is vervallen. Het pedaal, vroeger met de voeten bijna niet te bereiken, is thans versmald.

De registers zijn van nieuw vilt voorzien waardoor ze veel zachter kunnen worden uitgetrokken en het hinderlijke stoten is verholpen, dat vroeger op de indruk van de muziek zo storend werken kon. Het klavier is overigens onveranderd gebleven, behoudens een vergemakkelijking van techniek. Wie vroeger wel eens achter de heer Ezerman heeft gestaan terwijl hij speelde moet daarvan het denkbeeld hebben meegenomen, dat het wel zwaar werk was. Eerst wanneer de toets geheel naar beneden was gedrukt, kwam de toon. Even zwaar was het bespelen van het pedaal.

Daaraan is nu door een pneumatische inrichting een einde gemaakt. Het zou mij te ver voeren, die hier in bijzonderheden te beschrijven en zonder afbeeldingen zou de lezer er ook niet veel aan hebben. Laat ik dus hiermee volstaan, dat de windkamer, waar de blaasbalgen huisden‚ belangrijk vereenvoudigd is. In plaats van de twaalf blaasbalgen, waar tot nu toe, de drie trappers langs liepen, zijn er nu drie stel, elk van twee, die zeer gemakkelijk te betrappen zijn (Er is dan ook, zoals men weet, reeds besloten om deze beweging voortaan electrisch te doen geschieden). Aan deze blaasbalgen zijn drie reservoirs verbonden voor de geproduceerde lucht. Deze wordt in de pneumatische inrichting geperst. Aan de registers was vroeger een verlichting door veren aangebracht maar deze blijven natuurlijk niet ongewijzigd, veranderen van spanning en worden ongelijk. Zij zijn nu door contragewichten vervangen.

Het resultaat nu van deze pneumatische verlichting is dat het spelen is vergemakkelijkt. De toets, die vroeger met kracht moest worden ingedrukt‚ brengt nu de toon al voort wanneer ze even met de vinger wordt aangeraakt. Zo is ‘t ook met het pedaal. Dit is een verbetering van grote betekenis.
Samen met de heer Ezerman heb ik toen, ik mag wel zeggen een wandeling door het orgel heen gemaakt. Het duizelt de leek bij het zien van al die pijpen en pijpjes, stangen en staafjes. Voorzichtigheid is geboden, want soms staat men op een paar doorbuigende planken, waar voor en achter een diepte gaapt. Met de koelbloedigheid van de gewoonte drong de heer Ezerman in deze hoeken door en gaf tal van inlichtingen.

Letterlijk alle pijpen, en er zijn er wel 5000, zijn uit het orgel geweest. Alles is nagezien, schoongemaakt, recht gebogen, sommige verlengd. Alle bekleding, letterlijk alle draadjes zijn vernieuwd. De tonen, staafjes van zeer verschillende lengte en breedte, zijn opnieuw geëgaliseerd. Dit is een werk, dat veel ervaring eist en dan ook alleen geschiedde door de heer Maarschalkerweerd die het werk heeft uitgevoerd, zelf. Nadat met zorg en aandacht een staafje was verbogen, is het wel gebeurd, dat het er weer uitgehaald werd omdat het nog niet volkomen in orde was. Kortom, het gehele orgel is uit elkaar geweest en dat er hard gewerkt is blijkt wel hieruit dat in oktober de arbeid begonnen en dat hij nu zo goed als voleindigd is, hoewel een termijn van negen maanden daarvoor was toegestaan.

In de eigenaardige chaos van pijpen en pijpjes heb ik ook de 32-voet lange Bazuin gezien, die aan twee kettingen hangt en daarnaast een andere grote pijp, die van boven gesloten was wegens de vleermuizen, die er anders wel eens in verdwalen en natuurlijk door hun aanwezigheid de klank niet verfraaien.

Een andere verbetering is een nieuwe tremulant voor de Vox Humana, die tevens een andere plaats heeft gekregen, dan waar de oude stond en dus niet meer, zoals tot dusver, in de kerk storend werken zal. En tenslotte is er een brandslang gemaakt vlak bij het orgel, zodat daar de hoofdkraan altijd moet openstaan ingeval van brand onmiddellijk water kan worden gegeven.

Het spreekt vanzelf, al weidde de heer Ezerman allerminst uit, dat het verrichte werk ook hem veel arbeid zal hebben bezorgd, het z.g. intoneren, het herhaald stemmen, dat zelfs nu nog niet geheel is afgelopen. Het zal hem ongetwijfeld een genot zijn wanneer de dag zal zijn aangebroken, waarop hij het vernieuwde, ja, het nieuwe orgel aan de ingezetenen kan laten horen, want niet alleen de techniek van ’t spel is verbeterd, de zwenkingen van 't geluid, vroeger onvermijdelijk, zijn vervallen. De toon is vast en gelijk geworden. Het beroemde orgel, bouwwerk van onze vaderen, zal hiermee weer gekomen zijn op de hoogte van zijn terecht gevestigde reputatie.

De dag van het openingsconcert is nog niet bepaald. Vooraf moet trouwens de keuring nog geschieden door de Commissie van organisten, de heren Ezerman, Verheijen en C.F. Hendriks.

J. C. P.

Eerste bespeling Bavo-orgel Grote Kerk

HAARLEM - 17 juni 1905 - Donderdagmiddag had, voor 't eerst na de restauratie, de gewone bespeling van het orgel in de Grote Kerk plaats. De heer Ezerman had daarvoor een belangwekkend programma van klassieke en moderne orgelwerken saamgelezen, die hem rijke gelegenheid boden de verschillende stemmen van het orgel in menigvuldige combinaties te doen horen.

De majestueuze klank van het volle werk heeft, door de grote schoonmaak het herstel van allerlei gebreken van de oude dag, zeer aan frisheid en kernachtigheid gewonnen. Onder de zachtere stemmen der nevenmanualen trof mij de karaktervolle intonatie van enkele fluit- en vioolregisters; bijzonder werd mijn aandacht getrokken door een eng gemensureerde, maar uitmuntend aansprekende stem, wier aanwezigheid in ons orgel mij vroeger nooit was gebleken.

In hoeverre door de restauratie ook de mechanische behandeling voor de speler is vergemakkelijkt, heb ik in het door mij bijgewoonde gedeelte de uitvoering niet kunnen waarnemen. De aanslag van volle akkoorden en de prompte aanspraak in snelle passages lieten weliswaar geen gedachte aan inspanning opkomen, maar het wisselen van klavieren of het wijzigen der registratie schijnt toch nog altijd de organist te veel beweging en arbeid te kosten om niet op zijn muzikale frasering een minder gewenste invloed uit te oefenen.

Binnenkort hoop ik mij van de deugden en gebreken van ons beroemd instrument nader te vergewissen. PHILIP LOOTS.

Bron: Haarlemsche Courant 17 juni 1905

Voorstel onderhoud

HAARLEM 14 juli 1905 - Het Haarlems Dagblad doet verslag van de Raadsvergadering en meldt over het ingebrachte Punt 8 met betrekking tot het onderhoud van het orgel in de Grote Kerk:

B. en W. stellen voor het onderhoud van het orgel van de St. Bavokerk voor de eerste 25 jaren op te dragen aan de firma Maarschalkerweerd en Zoon te Utrecht voor f 150 per jaar.

De heer SPOOR acht de voorgestelde termijn te lang.

De heer DE BREUK zegt dat de orgelmaker de voorwaarde heeft gesteld van tien jaar garantie, mits hij het orgel 25 jaar mag stemmen. Het moet geschieden ten genoege van de directeur van openbare werken. Doet hij dat niet, dan wordt het contract vanzelf verbroken.

De heer SPOOR weet niet of de heer Dumont een deskundige is op 't gebied van orgelbouw en acht beter, het onderhoud niet voor zo’n lange tijd aan iemand op te dragen.

De heer MODOO had liever de beoordeling aan de organist opgedragen. Was 't niet beter geweest, het onderhoudswerk zoals gewoonlijk aan te besteden? Wie beoordeelt, of onvoorziene of buitengewone omstandigheden werkzaamheden en leveringen nodig maken?

Spreker zou de zaak willen aanhouden en nog eens onder de ogen zien. Op een vraag van de heer Stolp antwoordt de heer DE BREUK, dat men onderhoud en stemmen uit elkaar houden moet. Uitbesteden zou niet wenselijk zijn; de man verstaat het werk en berekent nog minder dan vroeger. Kan de directeur het niet beoordelen, dan zou een Commissie kunnen worden benoemd.

De heer SPOOR vindt het contract ook nog onduidelijk en geeft in overweging, het voorstel aan te houden.

De heer L00SJES zegt dat de firma Maarschalkerweerd in alle opzichten de eerste firma op dit gebied is in dit land. Uitstel acht spreker overbodig, de invoeging van B. en W. eveneens: de heer Spoor is al te voorzichtig.

De heer NIEUWENHUIS  KRUSEMAN acht vervanging van de directeur als beoordelaar door B. en W. van grote betekenis.

De heer THIEL acht in elk geval gewenst dat de firma, die de garantie heeft gedurende dezelfde tijd ook onderhoud en stemming heeft, maar niet langer, in dit geval dus tien jaar.

De heer DE BREUK zegt, dat de firma de garantie op tien jaar op zich wil nemen, mits zij 25 jaar het onderhoud en het stemmen krijgt.

De heer THIEL meende, dat hèt recht van garantie al was bedongen bij de reparatie.

De heer STOLP vraagt of bij de gunning geen garantie is bepaald.

De heer DE BREUK herhaalt zijn zo even afgelegde verklaring.

Het voorstel wordt aangehouden.

Bron: Haarlems Dagblad | 14 juli 1905

Kermis-Donderdag

Kermis 1905 in de schaduw van de Grote- of St. Bavokerk aan de Grote Markt van Haarlem

HAARLEM 12 augustus 1905 - Kermis-Donderdag is de Grote Kerk nog steeds de traditionele vergaderplaats van al wat op die dag uitgaat. ’t Is dan onmogelijk om het orgel te horen. Slechts bij het denderen, hagelen en regenen, staat het babbelende, schuifelende publiek, voor het grootste deel van de schone sexe, even stil en zwijgt als het machtige orgaan het overstemt. Zo ging het ook deze donderdag; na de innig mooie voordracht van Valerius Oud-Nederlandsche liederen begon het. Dat’s de regen, dat de hagel en toen, nee maar, wat deed het orgel zijn kracht horen. 

Na afloop van het onweer verliet men het mooie gebouw, misschien wel om over een jaar het kerkconcert opnieuw te bezoeken, niettegenstaande men iedereen dinsdag en donderdag van onze mooie orgelconcerten kan genieten. Onze vaderen gingen het orgel op Kermis-Donderdag horen, het tegenwoordige geslacht doet hetzelfde; zo de oude zongen, piepen de jongen. 


Bron: Haarlemsch Advertentieblad | 12-08-1905

De geschiedenis van de Bavo-orgels

HAARLEM 13 november 1899 - Allereerst wordt onze aandacht trokken door het schone voortreffelijke orgel dat zowel wegens zijn indrukwekkend voorkomen, als, en wel voornamelijk, uit hoofde der zuiverheid en de kracht van de tonen, niet alleen door het ganse land beroemd is, doch zelfs een Europese vermaardheid heeft verkregen, zodat alle vreemdelingen die Haarlem bezoeken het komen zien en horen, waarna allen verklaren dat ze nimmer een dergelijk kunstgevlucht aanschouwd hebben.

En het beste bewijs hebben we als we ons op een dinsdag- of donderdagmiddag in ’t kerkgebouw bevinden en de prachtige tonen van het orgel voortgebracht door de tegenwoordig kundige organist W. Ezerman, plechtig door het statige gewelf klinken.


Reeds in het jaar 1412 wordt melding gemaakt van een klein orgel waaruit dus af te leiden valt dat er toen reeds ook een groter orgel aanwezig was. Organist was toen „here Hughe." In het jaar 1422 bevond zich in het Westeinde van de kerk een orgel, naar het schijnt hoog aan den muur althans boven een glasraam. Organist was toen „heere Dirc Boghemaker."

Vóór de hervorming in het begin van de 16e eeuw waren er drie orgels aanwezig, te weten het zogenaamde grote orgel, aan de Noordzijde, tussen het koor en de twee pilaren waarop de toren rust. Dit orgel werd bij plechtige diensten, op het koor verricht wordende, bespeeld. De pijpen ervan zijn versmolten en voor het tegenwoordige gebruikt, doch de kas, orgeldeuren enz. bleven tot in 1773 in wezen.

Het tweede orgel dat in de Zuidergalerij schuin over het eerstgenoemde stond is in 1668 onder opzicht van de stadsbouwmeester verplaatst achter de predikstoel Het werd bij die gelegenheid zeer verfraaid en met schilder- en beeldhouwwerk versierd. In 1791 werd het op kosten van enige leden der gemeente en met toestemming van H.H. Burgemeesteren naar de Nieuwe Kerk overgebracht, resolutie 2 Febr. 1791‚ met enige registers vermeerderd en aldaar de 30sten oktober door dan predikant Abraham Rutgers plechtig ingewijd.

Het derde en kleinste orgel stond in de noordgalerij, boven de kapel van „van Schagen" en was daar, gelijk blijkt uit een thesaurierrekening, op stadskosten in 1594 door Pieter Jansz. orgelmaker te Utrecht gesteld in de plaats van een toenmaals oud werk voor een som van f 868. Aangezien het echter zelden of nooit gebruikt werd en het de kosten niet waard was om het in bruikbare staat te brengen nam men het in 1765 weg.

Voor ik een beknopte beschrijving kan geven van het tegenwoordige orgel, moet ik eerst de oorzaken die tot de bouw van het kunstwerk aanleiding gaven melding maken.

Op de veertiende maart 1735 werd bij de vroedschap dezer stad besloten om in de Grote Kerk van stadswege een nieuw orgel te doen maken, overeenstemmende met de uitgebreidheid der kerk. Ten dien einde werd aan Burgemeesteren verzocht daartoe een plan te ontwerpen alsmede een begroting van de vermoedelijke kosten over te leggen en uit welk fonds die kosten bestreden zouden kunnen worden, terwijl ze verder uitgenodigd werden om voorbereidende maatregelen te nemen tot het werk. Tot een fonds om de onkosten goed te maken werd een som van f 50.000 aangewezen, waarvan f 20.000 zou worden bijgedragen uit de kas van de krijgsraad en de rest door de regenten van het Proveniershuis.

Het bestuur over de bouw werd opgedragen aan Hendrik van Limburg terwijl de kundige orgelmaker Christian Müller met de vervaardiging van het orgel werd belast. Toen in 1838 enige reparaties aan het orgel nodig waren en het orgel ten dien einde uit elkaar genomen moest worden vond men op de grootste pijp van het octaaf 4 voet in ‘t pedaal ’t volgende opschrift:

„A0. l738 M Sept. is dit orgel gemaakt en afgeleverd door Chr. Muller, geboren op St. Andriesberg op de Harz. 1690 M Febr."

Dat het werk spoedig vlotte blijkt hieruit dat het reeds in september 1738 geëindigd was. Nadat het door drie beroemde toonkunstenaars onderzocht was en onder een zeer loffelijke getuigenis verklaard werd aan alle eisen te voldoen, werd het de 14de september 1738 ten gebruike ingewijd, waarschijnlijk door de predikant Johannes Creyghton. De totale kosten bedroegen ruim f 58.877, een som die door deskundigen gering wordt geacht, in aanmerking genomen het grootse en voortreffelijke van dit werk. De eerste organist, was de heer Henricus Radeker, die opgevolgd werd door zijn zoon Johannes Radeker, terwijl de heer J. P. Schuman, een leerling van laatstgenoemde, deze weer opvolgde, om op zijn beurt weer vervangen te worden door de heer Johannes Gijsbertus Bastiaans, die weer door zijn zoon Johannes Bastiaans werd opgevolgd, zodat de heer Willem Ezerman de zesde organist is van dit ruim 160 jaar bestaande beroemde orgel. Drie meer dan levensgrote beelden met dan hoorn des overvloeds aan hun voeten staan op een marmeren altaar. Het ene stelt „die Godsvrucht der Haarlemse regering" voor en de beide anderen betuigen hun dank voor de stichting van het orgel.

In het midden van het oxaal heeft men drie klavieren boven elkaar, de toetsen zijn vervaardigd van wit ivoor, zwart geaderd met een schildpaddenlijst van voren, de tussentonen van zwart ebbenhout zijn met schildpad overkleed. Het klavier bestaat uit 51 toetsen en aan weerszijden bevinden zich de registerknoppen van zwart ebbenhout op een geregelde afstand geplaatst zodat men deze voor het klavier zittende kan bereiken. Hierbij dient de opmerking dat de organist met de rug naar heb schip van de kerk zit. Boven de klavieren bevindt zich een deur waarop met zwarte letters op een gouden veld onder meer te lezen is:

„Non nisi motel calno." d.. i.

„Ik speel niet dan bewogen.”

De blaasbalgen, twaalf in getal en van best eikenhout vervaardigd liggen in een kast van vijf el diep en negen el breed. Het geheel bestaat uit 60 stemmen en 4088 pijpen. Daar dit orgel zulk een beroemdheid kent is het geen wonder dat beroemde meesters als Händel, Burton, Vögler enz., nadat ze het bespeeld hadden, daarover hoge lof hebben uitgesproken. Ten laatste volgt hier vertaald een fragment uit een Duits werk, teneinde te laten zien dat ook vreemdelingen aan dit kunstgewrocht recht laten wedervaren.

„Te Haarlem in de Grote Kerk vindt men het beroemde orgel, dat voor het schoonste van de gehele wereld mag gehouden worden. Enige geluiden daarvan zijn zo zacht, als de trillende tonen van een liefelijk zingende vogel; anderen wederom zo sterk, dat zij het kolossaal gebouw, waarin het staat, doen daveren. We hadden met veel ophef horen spreken van de zogenaamde Vox Humana, een register dat: de menselijke stem nabootst, en we stelden ons daarvan veel genot voor, maar onze hoog gespannen verwachting werd nog verre overtroffen, en men moet ’t boven alle beschrijving verrukkend geluid van dit register horen, om er het goddelijke van te gevoelen.”

 

Wijziging overeenkomst

HAARLEM 24 augustus 1905- B. en W. stellen voor een wijziging te brengen in de overeenkomst met de orgelmakers Maarschalkerweerd en Zoon te Utrecht omtrent het onderhoud van ‘t orgel in de St. Bavokerk. Zij wensen het contract aan te gaan voor tien jaar en zes maanden, waarmee de genoemde firma zich verenigt. B. en W. nemen het amendement van de heer Modoo over. Het voorstel wordt aangenomen.

Bron: Haarlems Dagblad | 24-08-1905

 

Het gerestaureerde orgel in de Bavo

HAARLEM 16-11-1907 - Zoals men weet werd vóór een paar jaar aan de heer M. Maarschalkerweerd te Utrecht door de gemeente opgedragen het orgel in de Grote Kerk te herstellen, zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat en de vindingen en verbeteringen der moderne orgelbouwkunst slechts zeer matig toe te passen, zodat het origineel toonkarakter niet werd omgewerkt.

Door deze restauratie was de heer Maarschalkerweerd in de gelegenheid het orgel te leren kennen en bestuderen en het is naar aanleiding hiervan dat hij een klein, doch hoogst belangrijk boekje heeft geschreven over de techniek van het orgel, welke beschrijving door hem aan kennissen en belangstellenden is toegezonden.

Na aan de bouwer Christian Müller lof te hebben toegezwaaid begint de schrijver de onderdelen en de inrichting van het instrument zaakkundig mede te delen om vervolgens op te komen tegen een onjuist oordeel van den heer J. W. Enschede in de ‚,O.H. Ct." van 14 September 1888, als zou door verschilden die wijzigingen in de dispositie het kenmerkende, dat het orgel zijn eigenaardigheid verleende, teloor zijn gegaan. Deze wijzigingen waren in 1868 gedaan door de firma Bätz te Utrecht.

‘Over het orgel schrijft de heer Maarschalkerweerd o.a. ,,Het pijpwerk van het bovenk1avier is boven in die orgelkast zeer hoog geplaatst en zeer ruim, wat van uiterst voordelige invloed is op de akoestiek die toch Haarlem’s grote Bavo zo zeldzaam schoon is. Een enkel register, b.v. de prestant 8voet‚ wekt in die kerk of een geheel orgel wordt bespeeld, vol, rond, fraai, aangrijpend, zangrijk. Ook de daar op het bovenwerk geplaatste Vox Humana, werkt betoverend. Indertijd werd zij door de grote Händel genoemd als het schoonste wat hij kende, en toch, van nabij gezien en gehoord, heeft deze stem niets bijzonders, integendeel zij klinkt ruw, maar kunstvaardig bespeeld en geholpen door een goede geruisloze tremulant kan zij nog die hoorders in de Kerk in verrukking brengen.”

Bron: Haarlems Dagblad | 16-11-1907