1847 HAARLEM Orgelconcert

Orgelconcert, gegeven door J. A. van Eyken, in de Grote of St. Bavo-Kerk, op Zaterdag, 15 Mei 1847, des namiddags ten 2 ure.

Programma.
1. Deel.
- Grote Preludium en Fuge (E-Mol) van Joh. Seb. Bach,
- Adagio (As-Dur) van C. F. Becker,
- Variatiën over het Engelsche Volkslied, van Ch. H. Rinck,
- Sonate over het Koraal "Vater Unser im Himmelreich," van Felix Mendelssohn Bartholdy.

2. Deel.
- Grote Fantaisie en Fuge (D-Mol) van Joh. Schneider,
- Gevariëerd Koraal “Nun ruhen alle Walder" (Gez, 187), van J. A. van Eyken,
- Toccata en Fuge (D-Mol) van Joh. Seb. Bach,
- Sonate (F-Mol) van Felix Mendelssohn Bartholdy.

De halve opbrengst ten voordele van de Armen der Ned. Herv. Gemeente alhier.

De Heer J. A. van Eyken toonde door de uitnemende uitvoering van de op het programma geplaatste stukken, vooral de Fuga's van Bach en J. Schneider, zijn tijd onder de leiding zijner beroemde onderwijzers op de beste wijze te hebben besteed en als een vaardig en grondig organist in zijn geboorteplaats te zijn teruggekeerd.  Ook hadden wij gelegenheid hem privatiin als pianist te leren kennen, daarin gelijk in de compositie bezit hij verdiensten, waarvan ons ook zijne voordracht van een aantal liederen zijner compositie overtuigde. Onder dezen verdienden onder anderen drie zijner Geistliche Lieder, woorden van Spitta, niet de Nederduitsche vertaling van van Koevel, opmerking, welke wij vernemen dat bij de Muziekhandelaar G. W. Derx alhier zullen worden uitgegeven.

Wat verder de uitslag van bovengenoemd orgelconcert betreft, daaromtrent valt weinig bijzonders mede te delen. De ware kenners hadden genoten, maar overigens verliet een niet talrijk publiek de kerk over het geheel niet genoegzaam voldaan, gelijk zulks meest ofwel altijd nog het geval hier te lande is, wanneer men voor het meest zeer moeilijk te begrijpen muziek voordraagt, muziek waarin de schoonheid grotendeels bestaat in de kunstige verbindingen van het dubbel contrapunt, en welke meer tot het verstand dan tot het gemoed spreken. En dat ons publiek die grote geleerdheid niet vat en meer smaak voor vatbare en het gemoed treffende melodieën bezit, kan men hetzelve niet zo zeer ten kwade duiden.

Vreemd is het, dat, niettegenstaande de instrumentaalmuziek zich in onze eeuw op een verbazende wijze heeft ontwikkeld, de orgelmuziek, met enige uitzonderingen, zich nog steeds bij de oude vormen blijft bepalen en even als een stug en stroef geleerde zich in zijn zeer beperkte kring beweegt, die het ver beneden zich acht zich tot het ongeleerde volk te verlagen. Verre zij het echter van ons dat wij hiermede zouden bedoelen, dat men het statige en majestueuze orgel tot de voordracht van pianomuziek of nietigheden moet gebruiken en zo doende misbruiken.

Bron: Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 4, 1847, no 13, 01-07-1847

1860 Oud Schilderwerk Ontdekt

De Alg. Kunst en Letterbode behelst het volgende bericht: „Te Haarlem in de Grote kerk, vroeger St. Bavo, kwam onlangs, bij gelegenheid van het witten, op nieuw enig oud schilderwerk te voorschijn, dat vóór vele jaren ook wel reeds ontdekt, maar toen onmiddellijk door de witkwast weer onzichtbaar gemaakt was. Het bevond zich tegen de binnenzijden van enige der kolommen van het koor, en er werd door de belangstellende zorg van Heeren kerkmeesteren terstond zo veel van ontbloot, dat men de soort van het beeldwerk nu reeds van drie kolommen kan onderkennen.

Het stelt gebloemde gordijnen voor, 2 tot 3 el hoog, tegen elke kolom één, veelkleurig en waarvan het bloem- en lofwerk geborduurde of geweven stof zal verbeelden; de rand van onderen bestaat uit franjes, die van boven prijkt met een opschrift, in een regel, een gedeelte van het credo (de artikelen des geloofs) bevattende, in staande Latijnse letters, terwijl dezelfde tekst onder aan het gordijn herhaald wordt in gotische minuskels, uit de laatste helft der XVe eeuw. Eén der op schriften luidde:

(credo) sanctam ecclesiam catholicam, sanc torum communionem,
(resurrectionem carnis) et vitam aeternam. Amen.

De boven-opschriften schijnen ouder te zijn dan de beneden-opschriften, vooral op grond van de daarin voorkomende Griekse majuskel, die althans aan berichtgever dezes in middeleeuwse Latijnse opschriften nog niet na de XIVe eeuw voorgekomen is. Zo die mening juist ware, zou daardoor klem bijgezet zijn aan het gevoelen van hen die, op grond van groot verschil van dikte en stijl tussen de 10 koorkolommen met de eerste zes daaraanvolgende, en de 10 overige kolommen van het schip, het eerstgenoemde gedeelte der kerk voor ouder houden, dan het laatstgenoemde, 't welk wel omstreeks van het jaar 1472 zal zijn, in welk jaar al thans volgens de overleveringen deze kerk voltooid is.

Wanneer zij begonnen is gebouwd te worden, is onbekend, er zijn althans geen gedrukte bescheiden over te vinden; zie Ampzing, Beschrijving der stad Haerlem (Haarlem 1628, 4°.) bl. 41 en Schrevelii Harlemas (Haarlem 1754, 4°.) bl. 19.

Men mag aannemen, dat zich op alle tien kolommen van het koor en op de eerste zes daaraanvolgende soortgelijke beschilderingen bevinden, omdat men op verscheidene reeds sporen gevonden heeft, en men veronderstellen mag dat het credo in zijn geheel, maar op onderscheiden kolommen verdeeld, aanwezig zal geweest zijn. De gordijnen verbeelden een draperie, waarmede men kerken bij feestelijke gelegenheden pleegde te versieren.
Met genoegen verneemt men dan ook, dat Heeren kerkmeesteren voornemens zijn het onderzoek en de ontbloting omzichtig te laten voortzetten, ten einde zo volledig mogelijk kennis te krijgen van die wel zeer geschonden, maar in velen opzichten fraaie, en voor de geschiedenis der middeleeuwse kunst, ornamentiek en techniek niet onbelangrijke overblijfselen. Van vollediger ontbloting dan thans het geval is, hopen wij er uitvoeriger over te berichten."

Opregte Haarlemsche Courant
29 August 1860

Orgel Grote Kerk weer in gebruik

Haarlem 25 december 1868 - Het beroemde grote orgel in de Grote Kerk te Haarlem is, na een belangrijke reparatie, thans weer in gebruik gesteld. Daar in een 30-tal jaren weinig aan het orgel was gedaan, liet de toestand veel te wensen over. Ook miste men registers, die men in orgels van zulken omvang van latere lijd gewoonlijk vindt. Door de orgelmaker Witte, firma Bätz en CO., te Utrecht, is behalve schoonmaken en repareren, het orgel opnieuw geïntoneerd en zijn nieuwe klavieren aangebracht en pedaal met vermeerderde koppeling, regulateurs tot betere windverdeling en verschillende nieuwe registers, als: op het bovenklavier een Viola 8 vt., op de manual Violon 8 vt., op het pedaal Violon 16 vt., en op het positief een Clarinet 8 vt., en een Bourdon 16 vt.

 

Leydse courant | 25-12-1868

 

Een aanmerking

Ingezonden 21 juli 1883 - Bij het laatst gehouden Orgelconcert in de Groote Kerk heeft het zeker menig bezoeker geërgerd, dat er zovelen van het publiek niet de minste eerbied betoonden voor het prachtige spel van de bekwame organist Joh. Bastiaans.

Slechts met moeite waren de vele wandelaars tot stilstaan te krijgen bij de waarlijk schone voordracht der gezongen liederen, maar bij het niet minder indrukwekkende orgelspel waren een groot deel der toehoorders tot last en stoornis door het vervelend gedruis veroorzaakt door hun heen en weer lopen en al te hoorbaar discours. Niet dat wij dat toeschrijven aan de minder ontwikkelden die door de gratis toegang zich in de kerk bevonden, o neen, want zeer fatsoenlijke mannen en zelfs musici, die op andere concerten hun aandacht lenen of van het publiek aandacht verlangen, namen aan dat gezwatel deel. Waarom, vragen wij, moet Haarlems publiek zich zo belachelijk aanstellen in de ogen van vreemdelingen, die ook donderdag tegenwoordig waren? Wat moet men denken van de waarde, die wij aan ons beroemd orgel toekennen, als wij zelf voorgaan om de prachtige melodieën onhoorbaar te maken. Daar gelaten dat het beledigend is voor de organist, die alles in het werk stelt om de bezoekers te boeien en hen tot eerbied te dwingen, moest men als bezoeker van een orgelconcert weten, dat het voor elk stil bewonderaar aanstotend is een bewegelijke massa elkander te zien voortdrijven. ’t Gaat toch niet wandelend te praten en tegelijk zijn aandacht te schenken aan composities van Bach‚ Mendelssohn en anderen, men wandelt in parken of op publieke wegen maar bij geen Orgelconcert.

X.

Bron: Haarlemsch Advertentieblad | 21 juli 1883 | pagina 1  (1/4)

1886 Een orgelbespeling in de St. Bavo's Kerk

Een goed muziekstuk heeft oneindelijk veel in
Maar ’t schijnt, ’t meeste volk meer tongen heeft als oren
Zo praat m’er over heen. ’t Is jammer in mijn zin
Dat daar zoveel toehóórt, zoveel niet tóe en horen

-Huigens-


Voor mijn Haarlemse lezers acht ik het onnodig in bijzonderheden te treden over een bespeling, die zij zelf kunnen bijwonen en de indruk weer te geven, die ziel, niet met woorden laat beschrijven, maar beter gevoeld kan worden. Slechts wens ik hun aandacht te vestigen op het publiek, de schuifelaars, waaraan ik mij meer dan eens geërgerd heb.

Door allerlei bewegingen en de daaruit voortkomende hinderlijke geluiden zijn zij de muzikale toehoorders een ergernis en de organist een steen des aanstoots. Aanspraak makende op wellevendheid en goede opvoeding, zeer gesteld op fatsoen lijkt behandeling zijn zij schuldig aan onbeleefdheid, gedragen zij zich ten hoogste onfatsoenlijk. Hadden wij met minder ontwikkelde lieden te doen, dan zou ik te hunner verontschuldiging kunnen zeggen: ' vergeef het hun ; zij weten het niet beter ; maar, dat lieden, aangesproken met Mevrouw, Mijnheer, Freule of Baron, die zich op hun stand verheffen en in de hoogste kringen opgevoed, nochtans de beleefdheidsvormen, die ieder beschaafd mens moet kennen, niet in acht willen of kunnen nemen, terwijl ze met etiquette dwepen, zie, dat is en blijft mij een onoplosbaar raadsel!

Dr. Viotta zegt ergens in zijn ‘Toonkunst’: „Zo is zij, de toonkunst, inwendig krachtig en sterk door de degelijke vorming en steeds toenemende klassieke beschaving onzer toonkunstenaar; door de meer en meer verfijnde smaak van ons publiek.... Welnu! Die meer en meer verfijnde smaak van ons publiek uit zich hier in een ergerniswekkend geschuifel! Ik ontken niet, dat wij grote toonkunstenaars onder ons volk kunnen aanwijzen ; ik ontken ten stelligste, dat ons publiek in de muziek een meer en meer verfijnde smaak aan de dag legt. Dr. Viotta heeft er waarschijnlijk niet aan gedacht, dat er een klasse wezens bestaat, wier zogenaamde ‘verfijnde smaak’ nergens beter uitkomt, dan in de verering der lawaaimuziek met haar trouwe gezellin:  de Turkse trom! Al gevoelt men zich gevleid en gestreeld door de uitspraak van deze Hooggeleerde Heer: „zo openbaart zich allerwege het krachtigste streven naar ontwikkeling van muzikale zin" —de ondervinding, en die in de beste leermeesteres  zal te allen tijde bewijzen : dat „’t krachtigste streven nog geboren moet worden'. Ga naar de Hout en woon daar de muziekuitvoering bij ; zij zullen u voldoende op de hoogte stellen van de muzikale zin te onzent.

Walsen, polka's, quadrilles, vormen onze muzikale volksbibliotheek ! Het klassieke, dat ontwikkeling van het muzikale gevoel, beschaving van de menselijke geest en verfijning vele de smaak ten gevolge heeft, wordt verworpen, omdat het boven de volksbevatting gaat. Zien wij niet het evenbeeld van deze zogenaamde muzikaal-ontwikkelden in sommige lezers, die hun boekenhangers  overstelpen met liefdesromans, roverhistories, avonturen ter zee en ter land, jachtverhalen en nooit met degelijke lectuur in de hand gezien worden. Het Rijksmuseum beschimmelt in de kast, Bilderdijk rust zalig onder een stapel couranten en de Camera Obscura ligt onder 't stof begraven. Men koopt slechte deze werken, om de naam te hebben, dat men Potgieter, Bilderdijk en Hildebrand leest.

Waarlijk ! 't Is niet de zin voor 't muzikale, die bij orgelbespelingen de Grote Kerk vult; 't is slechts, om voor de wereld muzikaal te schijnen en dit : de schijn, heeft Dr. Vlotte in de waan gebracht, dat ons volk streeft naar „ontwikkeling van muzikale zin." Voeg daarbij de Pronkzucht, die in de potsierlijkste gestalten en bespottelijkste gedaanten met haar zuster, de IJdelheid deze plaats beeft uitgekozen, om aller blikken op hen te doen vestigen. Onzinnigen! Wat doet gij hier? Is er niemand opgestaan om tegen U te velde te trekken en ze van deze plaats te bannen? Die schuifelaars? Velen, zeer velen hebben tegen hun handelwijze hun stem verheven. 't Is de Moriaan gewassen! Men is zich van zijn onbeleefdheid helder bewust en toch gaat het maar voort op de ingeslagen weg. Men is aan 't schuifelen en blijft ten eeuwige dagen schuifelen I Wat moet de vreemdeling wel denken van die muzikale Hollanders?

Haarlem, 31  Augustus 1886. 

N.B. Ik had 't bovenstaande reeds geschreven, toen ik van iemand die de Dinsdagse orgelbespeling had bijgewoond vernam, dat maatregelen zijn genomen tegen 't vervelende schuifelen.

Een Jubileum

HAARLEM, zaterdag 8 September 1888 - Tot de vele belangwekkende merkwaardigheden onzer stad, waarop wij met recht trots kunnen zijn, waarop wij de vreemdeling met ingenomenheid mogen wijzen, behoort voorzeker het orgel van de Grote of St. Bavo Kerk. Zowel door afmeting, rijkdom van bijzonder schone registers en veelvuldige koppelingen, als door inwendige deugdelijkheid munt het boven andere grote kerkorgels uit en heeft het een Europese vermaardheid gekregen.

Groots en verheven is dan ook telkens opnieuw de aanblik, die de bouw van dit beroemde orgel de aanschouwer geeft. Indrukwekkend en vol majeur is de klank van dit gewijde instrument. Of het tot ons spreekt in zacht ruisende melodieën, dan wel met duizend tongen in een stroom van brede harmonieën zijne stem doet horen, steeds wordt ons oor getroffen door de volmaakte zuiverheid en de zangerige toon.

Zoals het daar staat in de reusachtige ruimte van de St. Bavo vervult het ons met eerbied voor het genie van de bouwmeesters uit het grijze verleden, die met geringere hulpmiddelen dan de hedendaagse kunst  ten dienste staan, zulke monumentale kunstgewrochten ont wierpen en optrokken; kunstgewrochten die, spottend met het knutselwerk onzer dagen, de tand des tijds trotseren, alsof zij gebouwd waren voor de eeuwigheid.

Nog enige dagen en de ouderdom van het orgel zal het eerbiedwaardige cijfer van 150 jaren bereikt hebben, de 14de september van het jaar 1738 werd het bij de godsdienstoefeningen in gebruik genomen.

De organist, de Heer W. Ezerman, wenst deze merkwaardige datum niet onopgemerkt voorbij te laten gaan, maar de verjaardag van het orgel te vieren met geven van een geestelijk concert. Met ingenomenheid zal dit plan zeker door velen worden begroet, vooral wanneer, zoals in het plan ligt, uitstekende krachten op vocaal gebied daarbij zullen medewerken. Dat de talrijke muziekliefhebbers hun sympathie in dit concert zullen tonen, daarvan mag de concertgever zich verzekerd houden. Voor de belangstellende lezer van dit blad laten wij enige bijzonderheden betreffende het orgel volgen.

Voor de kerkhervorming waren er in de St. Bavo-kerk drie orgels aanwezig. Het zogenaamde Grote orgel werd bij de bouw van het tegenwoordige van zijn binnenwerk ontdaan, de pijpen versmolten en voor het nieuwe gebruikt. Het tweede werd in 1791 overgebracht naar de Nieuwe Kerk, terwijl het derde in 1765 werd weggenomen. In de plaats van deze drie verrees tussen de jaren 1735 en 1738 van stadswege een nieuw orgel, "bekwaam en met de uitgebreidheid der kerk overeenstemmende".

De kosten ervan werden geraamd op vijftigduizend gulden, welke gelden gevonden werden uit de kas van de Krijgsraad als restitutie van voorgeschoten sommen  en uit het fonds van het Proveniershuis, tot kwijting van een som, welke bij de oprichting van dat huis door de stad eveneens was voorgeschoten. Bij de voltooiing van het werk bleek, dat de kosten te laag waren geraamd en het werk 58877 gulden kostte.

Uit de des betreffende bescheiden blijkt, dat de stad betaald heeft aan de orgelmaker Christiaan Müller te Amsterdam (geb. op St. Andriesberg in de Harz 1690): 21700 gulden. Aan de Haagse beeldhouwer Xavery voor het leveren van het marmeren kunststuk in de middelnis onder het orgel, voor het grote marmeren basrelief en het leveren en stellen van het zwart marmeren voetwerk: 7000 gulden. Voorts aan timmer-, metsel- en smidswerk, schilderen, vergulden en opzicht over het werk: 22753 gulden.

Het orgel heeft een hoogte van dertig en een breedte van veertien Nederlandse ellen. Het rust op vier kolommen van blauw marmer met kapitelen en bazementen van zuiver wit marmer in Romeinse stijl. Tussen de portaaldeuren vindt men een schone beeldengroep, eveneens uit wit marmer vervaardigd, bestaande uit drie levensgrote vrouwenbeelden, voorstellend de Godsvrucht, de Dichtkunst en de Toonkunst. Daar boven zweeft een gevleugelde Engel als zinnebeeld der eeuwigheid. Op de Basronden bevinden zich verder twee schone beelden, David spelende op de harp en Azaph met een ontplooide rol in de hand waarop staat Psalm 82: vs 2. Een viertal musicerende kinderen, twee engelen met bazuinen, een hoboïst en een fluitspeler, voltooien het beeldwerk, dat over het algemeen uitmunt door voortreffelijke bewerking.

Het orgel heeft drie boven elkander liggende klavieren, elk bestaande uit vijftig toetsen, met een toonomvang van groot C. tot drie gestreept D.

Boven de klavieren staat met zwarte letters op een goud veld in ’t Latijn:

„Begonnen den 23 April 1735,voleindigd de 13 September 1738 door Christiaan Müller. Op den 14 September voor het eerst ten godsdienstigen gebruike ingewijd. Henricus Radeker, organist te Haarlem”

Boven dit opschrift bevindt zich een vergulde schelp van beeldhouwwerk, waaronder men leest:

Non nisi mota cano
d. i. Ik speel niet dan bewogen

De registerknoppen, 68 in getal, zijn aan beide zijden van de klavieren geplaatst en door de bespeler gemakkelijk te bereiken. Bij de 60 sprekende registers zijn 15 tongwerken en 4088 pijpen, waarvan die, welke in het gezicht staan van gepolijst Engels tin vervaardigd zijn. De 8 vorige registers zijn vier afsluitingen, twee tremulanten en twee koppelingen. Door deze koppelingen laten zich de klavieren onderling combineren en is het mogelijk de drie klavieren op het onderste te bespelen.

In 1866 werd in de Raad besloten een som van 12800 gulden beschikbaar te stellen tot verbouwing van het orgel. Dit werk werd opgedragen aan de Heer C. G. F. Witte, firma Bätz en Comp. te Utrecht. In de dispositie werd daarbij een verandering gebracht. De mixtuur 1 op het pedaal werd vervangen door de 16 Vt Violon. Van de verschillende registers trekt vooral de Vox Humane (menselijke stem bij de bespeling de aandacht.

Tot de beroemde mannen, welke dit orgel hebben bespeeld behoren Händel, Burton en de Abt Vögler.
De achtereenvolgende organisten zijn geweest: Henricus Radeker, Johannes Radeker, Johannes Petrus Schumann, Johannes Gijsbertus Bastiaans en Johannes Bastiaans. Na de dood van deze laatste werd als zodanig aangesteld de heer Willem Ezerman.

Bron: Haarlemsch Advertentieblad | 8 september 1888 |

B.